Mumford & Sons komt met perfect rimpelloze folkavond

Met een zuinige anderhalf uur en maar één nummer op het speciaal ingerichte akoestische podium, was het een doordeweekse avond voor deze feestband met melancholieke ondertoon.

Zanger Marcus Mumford van Mumford & Sons, maandag in de Ziggo Dome Foto Andreas terlaak

Het meest opmerkelijke aan Mumford & Sons is dat ze zo onopmerkelijk zijn. ‘Gentlemen of the road’, noemen ze zich en de muziek is verzorgd en welluidend. De band uit Londen kwam als winnaar uit de bus van de Britse folkrevival van tien jaar geleden, die ook Laura Marling en het inmiddels alweer opgeheven Noah & The Whale voortbracht. Met een handvol goede liedjes en een vriendelijke uitstraling stoomden Marcus Mumford en zijn band door naar internationaal popsucces.

Intussen deden Mumford & Sons er alles aan om het oubollige folkimago van zich af te schudden. Het derde en laatstverschenen album Wilder Mind bevat gegarandeerd geen banjo’s, werd er nadrukkelijk bij gezegd. De band stuwt zijn muziek meer in een rockrichting, met het gevaar dat het allemaal wat platter wordt. In de uitverkochte Ziggo Dome waren het toch weer de zachtmoedige en melodieuze folkliedjes die het meest fanatiek meegezongen werden. Little Lion Man, The Cave en Sigh No More, allemaal van het debuutalbum uit 2009, maakten er een groot meezing- en klapfestijn van.

Door de meerstemmige zang heeft Mumford & Sons wel iets van Crosby, Stills & Nash, behalve dat ze in alles veel Britser zijn. Vooral de oudere songs staan bol van Shakespearecitaten en afgezien van een enkele ‘fuck’ is hun muziek vriendelijk en onconfronterend. Nieuwe nummers Tompkins Square Park en Believe kregen een U2-achtige bombast met vette baslijnen. Lover of the Light, met Mumford zelf achter het drumstel, werd gebracht met veel ‘oh-oh-oh’ om de meezingfactor te verhogen. Bij The Cave sprong Mumford het publiek in en liet hij de zang over aan de 17.000 aanwezigen. Tot op de hoogste tribunes was er volop beweging.

Met een zuinige anderhalf uur en maar één nummer op het speciaal ingerichte akoestische podium waar de bandleden rond een enkele microfoon zongen, was het een doordeweekse avond voor deze feestband met melancholieke ondertoon. Des te verfrissender was het gastoptreden van de Senegalese zanger Baaba Maal, die een minialbum met de Mumfords heeft opgenomen en die drie nummers kwam meedoen. Zijn ijle zang en de klaterende gitaar van de meegekomen gitarist waren nog niet genoeg om Mumford & Sons een Afrikaanse lichtheid mee te geven, want ook deze nummers kregen een zwaar aangezette finale. Maar het sierde deze bleke Engelse gentlemen van het rockpodium dat ze hun publiek – veel stelletjes met telefoons in de aanslag voor een lichtzee bij een romantisch nummer – een ander geluid lieten horen. Verder werd het een perfect rimpelloze avond.