Column

De weg kwijt

In mijn nieuwe woonplaats, een kleine havenstad, ben ik opeens de weg kwijt. Waar zat toch die ijzerhandel? Voor of achter het stadhuis? Ah, daar zie ik een oudere vrouw voor een voordeur staan.

„Mevrouw, weet u hoe ik het snelst bij....”

„Wacht”, zegt ze. „Ik pak even mijn huissleutel.”

„Prima”, zeg ik. „Dan parkeer ik mijn auto.”

Na een minuut tikt zij op het autoraam. „Mag ik meerijden?”

Een onverwachte vraag. Voorzichtig help ik haar in de auto. Haar ranke benen verdwijnen onder het dashboard. Ze houdt zich vast aan de hendel boven haar hoofd.

„Kent u die ijzerhandel bij het stadhuis”, vraag ik als we rijden.

„Rechtdoor, geloof ik”, mompelt ze. „Of nee...”

We rijden zwijgend verder. Met wat geluk bereik ik de plaats van bestemming. Ik slaak een zucht van verlichting.

„Waar kan ik u afzetten”, vraag ik.

„Nergens.” Ze vouwt haar armen over elkaar en knijpt haar helblauwe ogen samen. „Ik rijd graag nog even mee.”

Ik zeg dat ik voor een boodschap naar de winkel moet, maar dat is geen probleem: „Ik blijf wel wachten.”

Voor haar veiligheid sluit ik de auto niet af en hol ik naar de ijzerhandel. Om de paar seconden kijk ik over mijn schouder: kan ik haar wel zo achterlaten? Door de winkelruit zie ik haar bewegingloos in de auto zitten.

„Zo”, zeg ik, terwijl ik het portier achter mij dichttrek. „Waar kan ik u afzetten?”

„Nergens. Ik wil rijden. Ik ben zó lang niet in de stad geweest.”

Ik merk dat ik de vrouw moeilijk kan peilen. Speelt ze een spelletje of is het haar ernst? Als we langs een peuterspeelzaal rijden vraag ik of ze van kinderen houdt. Ze schudt haar hoofd.

Dan zegt zij, half commanderend, half constaterend: „U doet alles wat ik zeg!”

Hè? Ik raak bevangen door lichte paniek, maar vervolg het gesprek op neutrale toon.

„Waar woont u ook alweer?”

„Dat weet ik niet.”

De vrouw zegt dat ze nooit getrouwd is geweest, maar al jaren weduwe is. Ze heeft een hekel aan bingo. „En weet u wat ze met dat moffenmeisje hebben gedaan?”

Richtinggevoel heb ik nooit gehad, maar nu verwens ik mijn tekortkoming. Ik realiseer me dat ik een dementerende vrouw naast mij heb zitten. In de schemering zoek ik naar haar straat. Rechts, links, rotonde, T-splitsing. Als ik de moed bijna heb opgegeven, herken ik het perkje waar ik parkeerde.

„Is dat uw huis”, wijs ik.

Ze knikt. Ik parkeer de auto en loop mee naar de voordeur. „Heeft u uw sleutel?” Mijn hart bonst in mijn keel.

De vrouw haalt haar schouders op. „Ik weet het niet.”

De buurman spiedt door het gordijn als ik haar zakken doorzoek.

„Ah, hier is uw sleutel! Hij past!”

De vrouw wandelt haar donkere woning binnen. Ik schud haar hand en bedank haar voor de rit. „Gaat u het redden zo”, vraag ik.

„Jawel.”

De dagen erna blijft het voorval door mijn hoofd spoken. Wie zorgt er voor deze vrouw? Vertegenwoordigt zij een veel grotere groep ouderen? Is dit mijn voorland?