Asielkind leert onder zijn niveau

Om problemen te voorkomen, laten scholen migrantenkinderen meestal alleen toe op de laagste schoolsoort.

Asielkinderen krijgen les in de ISK (internationale schakelklas) in Drachten. Foto’s Kees van de Veen

Ze droomt ervan om rechercheur te worden en misdrijven op te lossen. „Ik hou van politie”, zegt Angïla Aloush, 15 jaar oud uit Syrië. Sinds 9 maanden woont ze in Drachten met haar ouders en broertje. Ze draagt een witte hoofddoek met daar bovenop een zonnebril. „Want mooi.” Over haar passie voor de politie zegt ze: „In mijn land grote problemen. Ik wil helpen.”

Angïla gaat naar school, een internationale schakelklas (ISK) van de openbare scholengemeenschap Singelland in Drachten. Ze vindt het hier „leuk”. Maar het leren van de Nederlandse taal valt haar wel tegen. En daar baalt ze van, want dat heeft grote consequenties voor haar schoolcarrière. Waar Angïla in Syrië na de middelbare school zou gaan studeren, belandt ze hier volgend jaar op de entreeopleiding van het mbo, niveau 1. Een van de laagste Nederlandse schooltypes.

Dat overkomt meer migrantenjongeren uit internationale schakelklassen. 35 procent van hen stroomt door naar een schoolniveau onder zijn of haar niveau. Dat blijkt uit een peiling onder 44 ISK-directeuren, uitgevoerd door de VO-raad – de vereniging van middelbareschoolbesturen.

Ongeveer 3.500 asielzoekersjongeren, tussen de 12 jaar en 17 jaar oud, gaan één tot twee jaar naar een ISK. Hier leren ze Nederlands en worden ze klaargestoomd voor het voortgezet onderwijs of het mbo – afhankelijk van hun leeftijd. Van de leerlingen die naar het voortgezet onderwijs doorstromen, gaat bijna 70 procent naar praktijkonderwijs of vmbo basis of kader. En van de jongeren die naar het mbo gaat, komt 80 procent op de entreeopleiding terecht.

Dat betekent dat het merendeel van de kinderen op de laagste treden van het onderwijs terechtkomen. En dat is zorgelijk, zegt Paul Rosenmöller, voorzitter van de VO-raad. „Er gaat zo een hoop talent verloren.”

Een taalachterstand is de voornaamste reden voor de doorstroom naar de lagere niveaus. Rosenmöller vertelt dat uit onderzoek blijkt dat migranten vijf tot zes jaar nodig hebben om de taal zo goed te leren dat ze zelfredzaam zijn in het onderwijs. En dat terwijl asielzoekerskinderen hier maar één tot twee jaar Nederlands leren in een internationale schakelklas. Daar is wel over nagedacht, zegt Rosenmöller. „Migrantenjongeren integreren sneller als ze tussen Nederlandse leeftijdgenootjes zitten en pikken de taal ook zo vlot op.”

De VO-raad zou graag zien dat migrantenjongeren ondanks hun taalachterstand toch naar hogere niveaus doorstromen. Dat dit veel vergt van middelbare scholen en mbo’s, daar is de voorzitter zich van bewust. „Ik weet dat het ingewikkeld is; hoe organiseer, faciliteer en financier je dit? Maar we moeten ons hier hard voor maken. Anders gaat er straks een generatie verloren.”

Terug naar de 15-jarige Angïla. Ze zit in een lokaal aan tafel met twee klasgenoten. De 17-jarige Daniel Addo, uit Ghana. En de 15-jaar oude Arjon Berish uit Kosovo. Daniel gaat straks een mbo-opleiding tot lasser doen. „Leuk, leuk”, zegt hij. En Arjon, die mag na de zomervakantie naar de havo op een middelbare school in de buurt. „Ik ben blij”, zegt hij.

„Dat is zeer uitzonderlijk”, licht Jur Moorlag toe, hij was tot voor kort directeur van de ISK in Drachten. „We hebben zelden leerlingen in Drachten die naar de havo gaan. Ze stromen meestal door naar de lagere schoolniveaus, zoals vmbo basis of de entreeopleiding van het mbo.”

Taalachterstand is een probleem, weet Moorlag. „Migrantenjongeren leren echt in korte tijd bij ons Nederlands. Maar zelfs de allerslimsten kunnen zich na een internationale schakelklas niet volledig redden in het vervolgonderwijs. Op de middelbare school krijgen ze tien vakken, in allerlei jargon, dat is vrij lastig.”

Er speelt nog iets anders: middelbare scholen en mbo’s in de omgeving zijn vaak huiverig om de migrantenjongeren op een hoger niveau aan te nemen, zegt hij. „Bang dat het de kwaliteit van de school aantast als ze veel ISK-leerlingen toelaten.” De leerlingen zouden met minder goede cijfers de scores van de school omlaag kunnen halen.

Het is een lastig pakket, beaamt Moorlag. De migrantenjongeren zijn niet altijd de makkelijkste om mee te werken. Sommigen zijn ontzettend gemotiveerd. Maar andere zijn ook afgeleid, vertelt hij. „Ze komen niet aan leren toe door alles wat ze meemaken of hebben meegemaakt.”

De scholieren verdienen wel een kans, zegt Moorlag. En om ze „maar gewoon” naar een laag niveau te sturen, „dat zou niet mogen”. Je wilt dat leerlingen gemotiveerd blijven, en wat van hun leven willen maken. Moorlag zou graag zien dat leerlingen die in hun thuisland goed onderwijs hebben gehad, zoals veel Syriërs, naar mbo niveau 3 kunnen. „Met extra begeleiding komen ze er dan wel.”