‘Zo kunnen we zorg niet garanderen’

Het aantal opnamestops op de spoedeisende hulp neemt sterk toe. „We leggen patiënten vaak op de gang, zonder apparatuur.”

Vaak is het zo druk op de spoedeisende hulp van het AMC dat ambulances moeten doorrijden naar een ander ziekenhuis. Foto Tammy van Nerum

Traumachirurg Jan Luitse rijdt zo nu en dan met een slecht gevoel naar huis. Dat gebeurt op dagen dat zijn afdeling spoedeisende hulp is overspoeld met patiënten, een opnamestop werd afgekondigd en patiënten urenlang lagen te wachten. Op de gang. Zoals de patiënt die met een gebroken heup het Amsterdamse AMC binnenkwam en acht uur later pas hulp kreeg.

Ziekenhuizen, meldkamers ambulancezorg en artsen in Noord-Holland en Flevoland slaan alarm in een brief aan minister Schippers (VVD, Zorg), zorgverzekeraars en gemeenten. Vorig jaar moesten de afdelingen spoedeisende hulp van de 19 ziekenhuizen in Noord-Holland en Flevoland bijna 2.300 keer een opnamestop afkondigen. Drie jaar geleden gebeurde dat nog maar 430 keer.

Een opnamestop op de spoedeisende hulp of de eerste harthulp betekent dat een ambulance niet naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis kan en verder moet rijden. Dat kan gevaarlijk zijn voor patiënten. Zeker wanneer álle spoedafdelingen in, bijvoorbeeld, Amsterdam tegelijk een patiëntenstop hebben; ook dat komt voor. „Als er niets verandert, gaat het een keer mis”, schrijft de leiding van het Regionaal Overleg Acute Zorg, waarin onder andere meldkamers ambulancezorg en ziekenhuizen vertegenwoordigd zijn.

Jan Luitse is hoofd van de spoedeisende hulp in het AMC. Zijn afdelingen verplegen jaarlijks zo’n 30.000 mensen. Patiënten die slachtoffer zijn van een verkeersongeluk, mensen met steek- en schotwonden, gebroken armen, heupfracturen, hersenbloedingen. Er zijn vijftien bedden, en vier shockrooms, voor acute gevallen die hulp nodig hebben van meer medisch specialisten. Er werken 85 mensen.

Bij iedere patiëntenstop, afgekondigd door de medische directie van het AMC, krijgt Luitse een e-mail. Dat gebeurt bijna iedere dag. Een stop duurt gemiddeld twee uur, maar soms zijn er drie stops achter elkaar. Kan er zes uur geen enkele ambulancepatiënt terecht. Terwijl een patiëntenstop een laatste redmiddel is.

Wanneer besluiten jullie tot zo’n stop?

„Stel je een situatie voor waarin al onze bedden vol liggen met patiënten, en we een aantal mensen op de gang hebben moeten leggen. Dat zijn minder zware gevallen, die zonder hartbewaking of andere apparatuur kunnen. Niet comfortabel natuurlijk, de gang, maar soms kan het niet anders. Wanneer dán een acute patiënt wordt binnengebracht, die hulp nodig heeft van meerdere specialisten en verpleegkundigen, kunnen we de zorg niet meer garanderen. Dan besluiten we tot een opnamestop.”

Het is een noodgreep.

„Jazeker, daarvóór hebben we al ruim geïmproviseerd. Door mensen op de gang te leggen, maar ook door het werk van de verpleegkundigen te verdelen. Een voorbeeld: bij een noodoperatie in de shockroom wil je twee verpleegkundigen hebben. Eén geeft direct alles aan wat de specialist nodig heeft: medicatie, drains, apparatuur. De ander noteert wat we allemaal gebruiken, dat moeten we administreren. Als het zo druk is dat er mensen op de gang liggen, laten we één verpleegkundige dat werk doen. Dan wordt de administratie dus een chaos. En die andere verpleegkundige is dan alleen verantwoordelijk voor alle patiënten buiten de shockroom. Die patiënten moeten vaak lang wachten.”

Hoe kan het aantal opnamestops zo zijn gestegen?

„Vooral doordat we veel meer oudere patiënten zien. Verzorgings- en verpleeghuizen sluiten, vanwege kabinetsbeleid om ouderen langer thuis te laten wonen. Voor 2020 wil het kabinet dat 800 van de 2.000 verzorgings- en verpleeghuizen zijn gesloten. Nu al zien we veel ouderen die van de trap zijn gevallen en een arm, been of heup hebben gebroken. Sinds 2013 krijgen we jaarlijks 5 procent meer ouderen op de eerste hulp. Daar komt bij dat niet alle gemeenten voldoende thuiszorg hebben ingekocht. Daardoor komen weinig mensen over de vloer bij sommige ouderen en worden problemen, zoals een longontsteking, laat gesignaleerd. Die ouderen worden dan halsoverkop naar de spoedeisende hulp gestuurd.”

U schrijft dat er een personeelstekort op de spoedeisende hulp is. Maar er is toch niet bezuinigd op personeel?

„Mijn personeelsbestand is niet veranderd, maar er zijn patiënten bij gekomen – die ouderen. Zij hebben vaak meerdere problemen, waardoor artsen langer met hen bezig zijn. Zij kunnen meestal ook niet meteen terug naar huis. Dan moeten wij een opvangplek voor hen zoeken. Soms is dat in ons eigen ziekenhuis, maar vaak zijn ze daar te goed voor en moeten ze naar een verzorgingshuis. Ons personeel belt zich dan suf om een plek te vinden; in die tijd is de verpleegkundige niet inzetbaar op de eerste hulp. Deze ontwikkelingen maken ons werk veel zwaarder.”

Speelt dit alleen in Noord-Holland en Flevoland?

„Het overlopen van de spoedeisende hulp is een landelijk probleem. Het komt in deze regio naar buiten, omdat de ziekenhuizen en alarmcentrales gebruikmaken van het Acuut Zorgportaal – een online systeem waarin inzichtelijk is hoeveel opnamestops hier zijn. Niet alle regio’s hebben zo’n systeem. Als dit zo doorgaat, kunnen we niet langer goede zorg op de spoedeisende hulp garanderen.”

Is dit op te lossen?

„Moeilijk, omdat spoedeisende zorg de dupe wordt van kabinetsbeleid voor ouderen. We bepleiten verzorgings- en verpleeghuizen niet zo snel te sluiten, en willen graag dat gemeenten meer thuiszorg inkopen zodat kleine problemen sneller worden gesignaleerd. Lukt dat niet, dan moeten wij uitbreiden. Zorgverzekeraars zouden spoedzorg minder scherp moeten inkopen, zodat ziekenhuizen extra beddencapaciteit kunnen creëren op de spoedeisende hulp.”