Tussen de Hummers en de Syrische bedelaars in Beiroet

Carolien Roelants is Midden-Oostenexpert en scheidt elke week de feiten van de hypes.

Syrische vluchtelingenkinderen bij een geïmproviseerde school in de Beka’avallei in Libanon. Foto Hassan Ammar/AP

Waarin Beiroet nooit verandert: de tegenstellingen. Ik ken de officiële verkoopcijfers niet, maar naar mijn gevoel na drie dagen rondlopen bezit de Libanese hoofdstad de hoogste dichtheid van Hummers en Hummer-lookalikes ter wereld. Ik zag een roze. Roze! Voor ’t vrouwtje, of kijk mij eens?

En nu daartegenover: niet eerder zo’n massa bedelaars gezien. Jonge vrouwen met één, twee, drie jonge kinderen, vuile magere jongetjes en oudere mensen met zwaar gehandicapte kinderen op schoot of in een rolstoel. Syrische vluchtelingen. Toen ik hier twee jaar geleden voor het laatst was, was het aantal bedelaars een stuk kleiner.

Dit is het land met het grootste aantal vluchtelingen per hoofd van de bevolking. Onofficieel zijn het er zo’n 1,5 miljoen, op 4,5 miljoen staatsburgers. Ruim een miljoen van hen staan geregistreerd bij de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR. Maar pas op: die registreert al een jaar geen nieuwe vluchtelingen meer. Ook zijn de grenzen gesloten. Allemaal op last van de Libanese regering. Die ziet de kans groeien dat de Syriërs blijven en zo het wankele evenwicht tussen de verschillende sektes verstoren. De burgeroorlog (1975-1990) is niet vergeten.

Toch komen er nog steeds Syriërs de grens over. Dat betekent dat een groeiend aantal nu niet geregistreerd staat. Zij kunnen wel hun kinderen naar school sturen of naar het ziekenhuis. Maar niet nieuwe geboortes aangeven. En voedselhulp en andere extra’s voor mensen die dat nodig hebben, zijn er ook niet meer bij.

Ik was in een VN-registratiecentrum waar War Child Holland een ruimte heeft ingericht om kinderen een beetje kind te laten zijn terwijl hun ouders, die hun registratie willen vernieuwen of hulp zoeken, vaak uren moeten wachten. Dit zijn niet de bedelaarskinderen. Maar de Syrisch-Palestijnse Nihad (9) gaat niet naar school. En Omaimah, de moeder van de eveneens 9-jarige Selma, vertelt dat haar oudste van 13 van school moest om te gaan werken. Haar man is een van de honderdduizenden Syriërs die altijd al in Libanon werkten, met name in de bouw. Maar hij is werkloos, en nu concurreert hij met al die andere Syriërs (en de Libanezen, niet te vergeten) om het weinige beschikbare werk. Syriërs mogen maar in een paar sectoren werken, zoals de bouw en de landbouw. Het huis dat ze thuis in Deir es-Zor bouwden, is kapotgeschoten.

Libanon is een van de landen van ‘opvang in de regio’, het wondermedicijn voor de vluchtelingencrisis van Europese (en Nederlandse) politieke leiders. Omaimah, haar man en vijf kinderen wonen nu voor 200 dollar per maand in twee kamers. Dat gaat nog best. Honderdduizenden wonen in garages of in vieze kampjes langs de weg. 70 procent leeft in armoede.

De Verenigde Naties hebben de kosten van opvang voor dit jaar op 1,7 miljard dollar begroot, maar vorige maand was door donors nog maar 390 miljoen gestort. Ik dacht, ik laat de feiten maar weer eens spreken.