Tegen lust is niets bestand

Opera Wat gebeurt er als op een manneneiland een lang aanbeden vrouw verschijnt? In de ‘oer-opera’ Dijkdrift ontaardt dat in een groepsverkrachting. Het viel de makers niet mee om dat geweld te ensceneren.

De repetitie van de opera Dijkdrift, bij Landgoed ter Coulster in Heiloo. Rechts Mehrnoush Rahmani als La Femina.

Er was eens een mannengemeenschap, afgesloten van de buitenwereld. Ze groeven zich in tegen het omringende water, ontwikkelden een eigen taal en aanbaden met overgave wat in hun katholiek aandoende sekte ontbrak: de vrouw. Op haar projecteerden ze hun hogere verlangens van verlossing. En natuurlijk diende die religiositeit als een dijk tegen de nauwelijks bedwongen, sluimerende oerdriften. Die driften bleven onder controle zolang de aanbeden vrouw niet in hun midden verscheen.

Met dat uitgangspunt in het achterhoofd schreef Jibbe Willems het libretto voor de ‘oer-opera’ Dijkdrift, een productie in de open lucht van muziektheatergezelschap Silbersee en rietkwintet Calefax. Op het weelderige landgoed Ter Coulster in Heiloo wordt woensdag de première van Dijkdrift gegeven in het kader van Karavaan Festival. In juni verplaatst de voorstelling naar een nog toepasselijker locatie: een winderige duinpan op Terschelling tijdens Oerol.

Veel plezier wist Willems te behalen uit het ‘Batavialatina’, een hilarische fantasietaal die het Nederlands combineert met Italiaans en Latijn en af en toe een vleugje Spaans of Frans. Dat levert een zeer muzikale ‘neoarchaïsche’ taal op. Neem de openingsscène, waarin de priester Per Abba zijn broeders oproept tot het gebed:

Fratelli della terraarde,

ons benne op deze globus

om la Domina te dienere

om la Femina te lauwere.

„Als een gemeenschap geïsoleerd blijft, dan raakt de taal op drift”, licht Willems toe. „Mutaties treden op, waarbij in dit geval een kerkelijk Latijn is gekruist met een aardse, viezige en knokige taal. Ik houd ervan om zulke contrasten uit te spelen: het goddelijke tegenover het vlezige, en de mannen tegenover de vrouw.”

Willems vond veel klankovereenkomsten tussen het Latijn en het Nederlands. Water en aqua trok hij samen tot ‘aq-water’, aarde en terra werden ‘terraarde’. Een opstandige jongen, een outcast binnen de gemeenschap, krijgt verlekkerd zondige fantasieën in de mond gelegd: ‘kleve-liquido vloeiere exito mihi picca/como blanco bloede’.

Verheven muziek

En dat terwijl Dijkdrift is gebaseerd op zeer verheven muziek: de vroeg zeventiende-eeuwse Mariavespers van Claudio Monteverdi. Die Maria vererende compositie werd door Raaf Hekkema, de vaste arrangeur en saxofonist van Calefax, met respect maar zeer grondig door de mangel gehaald. De vijf blazers van Calefax moeten ook zingen, en de vijf zangers van Silbersee zijn ook instrumentalisten. Zo kreeg Hekkema een homogene groep van tien multi-inzetbare musici tot zijn beschikking.

„Het is dan ook dankbaar materiaal voor bewerking”, merkte Hekkema, die na het lezen van Willems’ libretto gretig aan de slag ging. „Monteverdi stelde een soort portfolio samen van van oude en nieuwe werken in diverse stijlen. Dat maakt het tot een heel open stuk, waar ik mijn eigen muziek van kon maken.”

‘Monteverdi combineert eenvoudige akkoorden met zeer sappige melodieën. Daar kun je alle kanten mee op’

Per Abba, gespeeld door Lodewijk Meeuwsen, in zijn sterfscène in ‘oer-opera Dijkdrift’.

Dat Monteverdi de eerste popmusicus ter wereld was, wist Hekkema al sinds hij in zijn eigen band Raaven zeventiende-eeuwse muziek met versterkte instrumenten zong. „Monteverdi combineert eenvoudige akkoorden met zeer sappige melodieën. Daar kun je alle kanten mee op.”

Een voorbeeld: na het gezamenlijke gebed kwijten de broeders zich aan hun voornaamste taak, het graven in de aarde en het ophogen van de dijk. Op de tekst ‘gravere ons et gravus id benne’ (‘we graven en graven is zwaar’) componeerde Hekkema een melodie die uit deel acht van de Vespers geplukt is, inclusief het vraag-antwoordspel tussen voorganger en collectief, zoals in de kerk gebruikelijk was. Maar Hekkema voegt blue notes toe aan de melodie, en opeens klinkt de voorzanger als een slaaf in een chaingang, die de slavenarbeid moet verlichten. Hekkema: „Wat hiermee wordt uitgedrukt is dat wij slaaf zijn van het dwangidee, dat we een dam kunnen opwerpen tegen de instromende lusten en driften.” Vergeefs natuurlijk, want halverwege de voorstelling doet La Femina haar intrede.

Een voorstelling voor de hele familie is Dijkdrift niet. Zodra opeens een vrouw in hun midden verschijnt, hebben de mannen de hoogst mogelijke verwachtingen. Maar die degenereren snel. ‘Gevere ons Genada’ wordt ‘Gevere ons lusta libido’. De vrouw blijft passief. En nadat ze de genade niet heeft kunnen geven – ze blijkt ook maar een mens – ontaardt de opgelopen spanning in kannibalisme en een groepsverkrachting, waarna de vrouw voor dood wordt achtergelaten.

Verkrachting als vechtscène

Seksueel geweld ensceneren, daar keek regisseur Annechien Koerselman helemaal niet naar uit. Ze staat op een open plek in het bos van het landgoed in Heiloo. Aan de rand staat een enorme houten buste die de aanbeden vrouw voorstelt. In dit decor zullen de gruwelijkheden zich voltrekken. Koerselman: „De groepsverkrachting heb ik heel afstandelijk en technisch geënsceneerd, als een vechtscène: jij pakt dit lichaamsdeel, jij dat, enzovoort. Toen we dat vervolgens met volle energie tijdens een doorloop speelden, was de crew die toekeek compleet geschokt.”

Het dient toch een doel: aan het slot verschijnt de vrouw onverwacht in wit gewaad, en neemt ze enkele van de meer berouwvolle mannen naar een toekomst met een lichtpuntje hoop. Want waar gaat dit stuk over, vroeg Koerselman zich af: „De plot is heel basaal en wordt steeds gruwelijker. Maar zoals Jezus in staat was tot vergeving, zo moet een mens ook veerkracht kunnen tonen: we hebben een hoop narigheid gehad, maar het leven gaat dóór. Ik wil een pleidooi voor weerbaarheid.”

Jibbe Willems: „Voor mij bestaat religie uit projectie. Natuurlijk kan de vrouw niet voldoen aan de verwachtingen die de mannen van haar hebben. Maar dat zegt vooral iets over de belijders van die religie. Kijk nog eens, kijk beter, zou de moraal kunnen zijn.” Koerselman zegt lachend: „Toch is deze opera duidelijk door mannen gemaakt! Hopelijk kan ik met enkele ingrepen toch enige warmte en mededogen aan de voorstelling toevoegen.”

Dat die warmte aan het slot goed hoorbaar is, daarover zijn de makers het eens. De vrouw en de opstandige jongen, die aan de gruwelijkheden niet meedeed, zingen over ‘ziele, gelukke, amore’. Hekkema maakte er een groot en ongegeneerd liefdeslied van, waarbij actrice Mehrnoush Rahmani haar zwoele soulstem mag tonen. En terwijl de vrouw de gemeenschap probeert te vergeven, zal – als het meezit – boven landgoed Ter Coulster en later Terschelling de zon dan net in een troostrijk kleurenspel ondergaan.