Hypocriet voorbeeldland

De kampioen van de Eredivisie regelde 5 jaar geleden 48 miljoen euro overheidssteun. De andere voetbalclubs ritselden via vastgoeddeals, leningen, garantstellingen, huurverlagingen en aandelentransacties nog eens 182 miljoen euro subsidie.

pietervanos0

Weekblad De Groene Amsterdammer kwam afgelopen week met de cijfers. Ontstond er grote opwinding? Verontwaardiging? Nee, die richtte zich op de degradatie van FC Twente naar de Jupiler League, vanwege financieel wanbeheer en mogelijk belastingfraude. Lees wel: de verontwaardiging richtte zich niet op het wanbeheer, fraude of de 32 miljoen euro schuld waarvoor de overheid zich garant heeft gesteld, maar op de beslissing Twente terug te zetten, één divisie lager.

Over de gemeenschapsgelden voor voetbal bestaat zo weinig ophef dat de directeur van voetbalclub FC Groningen concurrenten openlijk feliciteert als zij weer eens een suikerzoete deal met een gemeente hebben getroffen. Clubs spelen een gezellig bordspel, net als hoogopgeleide steuntrekkers uit de jaren tachtig: hoe pak ik zoveel mogelijk gemeenschapsgeld? Bij de uitkeringsgerechtigden volgde schaamte en zelfs licht berouw, zo blijkt uit het hilarische boek Kind van de verzorgingsstaat van Rob van Essen. Bij voetbal is de schaamte nog ver weg.

Het kan niet anders, zeggen clubs. Uitgaven aan aankoop en salariëring van spelers bepalen de kansen op sportief succes. De finale van de Champions League, aanstaande zaterdag, gaat tussen clubs die tezamen een paar honderd miljoen euro schuld hebben.

Maar de clubs hebben ongelijk. Het kan wel anders. Kijk naar Amerika, zegt econoom Tsjalle van der Burg in zijn boek Football Business, dat vrijdag verscheen in Nederlandse vertaling. Neem honkbal. Om te voorkomen dat al hun geld naar spelers zou gaan, maakten clubeigenaren afspraken met elkaar. Zo kwam er een salarisplafond, niet zozeer uit clubliefde, maar uit liefde voor winst. Tegelijk moest er worden geconcurreerd met andere sporten, als basketbal en American Football. En dus kwamen er ook maatregelen, bij alle drie de sporten, ter verhoging van de spanning in de competitie. Zo gaat relatief veel tv-geld naar minder populaire clubs. En, wat misschien wel het belangrijkste is: aan het einde van het seizoen krijgen de slechtst presterende clubs de eerste keuze bij aankoop van jonge talenten. Alles om de verschillen tussen de clubs niet te groot te maken. Het wonder dat zich dit jaar in Engeland voltrok, waar het nietige Leicester City kampioen werd, is in Amerika geen wonder. Zoiets gebeurt daar regelmatig. Daar hebben de sportbonden gekozen voor spanning voor het publiek en hoge winsten voor de clubs. In Europa is voor het tegenovergestelde gekozen: weinig spanning en hoge schulden.

Ideologisch bewuste lezers zullen zeggen: die Amerikanen zijn hypocriet. Ze toeteren van de daken dat ze van de vrije markt houden, maar in sport en spel staan ze prijsafspraken en kartelvorming toe. Dat is natuurlijk waar, het is hypocriet. Maar dat is Amerika wel vaker. De ‘land of the free’ heeft ook het hoogste aantal gevangenen per inwoner, zelfs meer dan de Sovjetunie had tijdens de terreur van Stalin. (Geen grap.)

Die hypocrisie is stuitend, tuurlijk. Maar op sportgebied pakt-ie goed uit. Europese voetbalbestuurders én rechters plus anti-mededingingsautoriteiten zouden er iets van kunnen leren. Want wat willen we nu: spanning of schuld?