Het doel waarvoor alles moest wijken

De vrijdag op de Mount Everest overleden alpinist Eric Arnold (35) was een bescheiden, maar intussen een „heel stoer mannetje”. De beklimming vond hij een overwinning „van mijn ego op mijn verstand”.

Mount Everest, gezien vanaf Nepal, in het laatste zonlicht van de dag. Foto Tashi Sherpa/AP

Op zijn jongenskamer hing naast de poster van Pamela Anderson een poster van de Himalaya. Alleen die eerste droom liet hij achter in zijn jeugd. Vrijdag overleed de Rotterdamse bergbeklimmer Eric Arnold op 7.900 meter hoogte, nadat het hem na vier pogingen eindelijk gelukt was de top van de Mount Everest te bereiken. Arnold is 35 jaar geworden.

In 1999 zat hij bij de kapper in een leesmap te bladeren, toen hij op een artikel over de Mount Everest-expeditie stuitte. Daar werd het zaadje geplant. De jaren daarop begon hij met klimmen: van beginnerscursus naar makkelijke en moeilijkere expedities. Hij beklom tientallen bergtoppen, zoals de Cho Oyu, de Eiger en de Mont Blanc. Altijd met de hoogste berg ter wereld in zijn achterhoofd.

In 2012 deed hij, na twee jaar voorbereiding, zijn eerste poging de 8.850 meter hoge top van de Mount Everest te beklimmen. Op slechts 250 meter onder de top moest hij omdraaien vanwege slechte weersomstandigheden. De jaren daarna volgden een blessure, een lawine en een aardbeving. Bijna was hij dood, maar toch wilde hij terug. „In gedachten zet ik de laatste stappen en schreeuw het uit”, schreef hij anderhalve week geleden op zijn blog.

Zijn openhartigheid en doorzettingsvermogen maakten hem tot bekende Nederlander, die zelfs vanaf de Everest via zijn satelliettelefoon in de media zijn verhaal wilde doen – ook met het oog op sponsoring, want voor elke poging moest hij 35.000 euro bij elkaar zien te krijgen. Hij groeide in die rol van verhalenverteller, zegt Reint Jan Potze, presentator van Radio Rijnmond, waar hij sinds zijn eerste poging in 2012 veelvuldig te gast was. „Hij vertelde steeds bevlogener, elk jaar had hij een beter verhaal.” Arnold was bescheiden, zet Potze. „Maar intussen een heel stoer mannetje.”

Drijfveer: wraak

Zijn droom liet hem niet los. Kort na zijn eerste mislukte poging in 2012 schreef hij niet zeker te weten of hij terug wilde, omdat zijn belangrijkste drijfveer wraak zou zijn. Toch ging hij opnieuw en opnieuw, om het leven ten volle te leven, zei hij – niet uit doodsverlangen, maar uit levensdrift. „Blijkbaar wordt het leven iets dichter naar de rand van de dood toe voor mij mooier.”

Dat die hang naar zo’n extreme prestatie iets egocentrisch heeft – elke keer moest hij afscheid nemen van vriendin, vrienden en familie – besefte Arnold. „De Everest beklimmen vind ik een overwinning van mijn ego op mijn verstand”, schreef hij. Daarom wilde hij met zijn beklimmingen zo veel mogelijk geld inzamelen voor de bestrijding van spierziekte ALS. Zo kreeg zijn droom een „hoger doel”.

Zijn enorme geestdrift karakteriseerde Arnold, zegt Robin Baks, directeur van de Nederlandse Klim- en Bergsport Vereniging. „Hij had een doel en daar moest alles voor wijken.” Die vastberadenheid was ook zichtbaar in zijn loopbaan. Van mavo-scholier tot student planologie aan de Hogeschool Rotterdam, tot docent aardrijkskunde en ambtenaar bij de gemeente Rotterdam. In 2005 begon hij daar als planoloog en hij werkte zich op tot verschillende (leidinggevende) functies. Ook gaf hij lezingen aan bedrijven, over „risicomanagement en het bereiken van de top”.

Waaraan Arnold overleed is niet zeker. Mogelijk was het hoogteziekte: boven de 5.000 meter raakt het menselijk lichaam in een soort „shutdown-modus”, zegt Baks. Er kan fatale oedeemvorming plaatsvinden in hersenen of longen. „Maar het blijft gissen. De analyse van een Nepalees die bij hem in kamp 4 was, is ‘totale uitputting’.”

Klimster Lhakpa Sherpa, die vanuit het basiskamp dagelijks contact had met de dokters van Arnold, zegt dat hij zeer vermoeid het kamp binnenkwam en meteen ging slapen. „Na een tijdje werd hij wakker. Er werd hem voedsel aangeboden, maar hij wilde niets eten. Daarna sliep hij in. Kort daarna overleed hij in zijn slaap.”

Zijn lichaam wordt nu door sherpa’s naar beneden gedragen, naar een plek waar een helikopter kan landen. Die reis duurt nog twee of drie dagen. Daar wordt zijn lichaam opgehaald en naar Teacher Hospital in Kathmandu gebracht, waar onderzoek plaatsvindt. Dan wordt het stoffelijk overschot naar Nederland gebracht.

Vastberadenheid en geloof

Het volgende doel van Arnold stond al vast. Volgend jaar hoopte hij als eerste Nederlander de Kanchenjunga te beklimmen, de op twee na hoogste berg ter wereld. Vanwaar toch zijn fascinatie voor gevaarlijke beklimmingen? In een van zijn blogs, begin deze maand, citeerde hij schrijver Walt Unsworth:

„Er zijn mannen op wie het onbereikbare een speciale aantrekkingskracht heeft. Meestal zijn ze geen experts: hun ambities en fantasieën zijn sterk genoeg de twijfels weg te nemen die voorzichtiger mannen zouden kunnen hebben. Vastberadenheid en geloof zijn hun sterkste wapens. In het beste geval worden ze als excentriek beschouwd; in het slechtste geval als gek.”