Glansrol contrabassisten bij Hartmut Haenchen

Het leek een licht bizarre keuze van Hartmut Haenchen om Händels achttiende-eeuwse fuifnummers van Music for the Royal Fireworks te combineren met Sjostakovitsj’ topzware, grommende Achtste symfonie. Maar onder de titel ‘Oorlog en Vrede’ toonde de dirigent bij zijn voormalige Nederlands Philharmonisch Orkest dat beide werken militair tromgeroffel en de zucht naar vrede verklanken.

Händel stond zijn mannetje: er was geen ruimte voor de voorgeschreven 24 hobo’s en 12 fagotten om de Vrede van Aken (1748) te vieren, maar het alsnog groot bezette orkest kreeg ondersteuning van een bulderend Maarschalkerweerdorgel. Haenchen leidde met brede gebaren: een wat logge en ouderwetse maar ook meeslepende Händel die zo uit de tijd van dirigent Leopold Stokowski leek te komen.

Veel reden tot feestmuziek had Sjostakovitsj bij het schrijven van zijn Achtste in 1943 niet. Trompetgeschal in het voortdenderende derde deel roept Händel in herinnering, maar lijkt te benadrukken dat het overheersend zware gemoed slechts met bijtend sarcasme kan worden bestreden.

Haenchen toonde geen genade: bijna ongemerkt groeide de muziek naar een striemend apocalyptische uitbarsting om daarna weer zuchtend in te krimpen. De vele micro-ongelijkheden en hoorbaar veeleisende blazerssoli droegen alleen maar bij aan een betoog vol rauwe tragiek. De headbangende, dan weer teder becommentariërende contrabassisten vervulden een glansrol.