Doodernstig in doodsverzet

Nobelprijswinnaar Elias Canetti werkte zijn leven lang aan zijn boek over ‘de dood’. Uiteindelijk werd het uit zijn nagelaten aantekeningen samengesteld. Een bespreking in aforismen.

Tekening Paul van der Steen

Het aforisme is misschien wel het kleinste en ook het kleinst denkbare literaire genre, met zijn afgepaste gedachten en het kabouteraplomb van zijn witregels, zo op de grens van poëzie en filosofie. Een genre dat zich slecht verhoudt tot fanatisme, denk je, tot je aan het Rode Boekje denkt.

Idee: Het boek tegen de dood van Elias Canetti (1905-1994) recenseren in losse aforismen.

Canetti noemt zich een vijand van de dood, een doodsvijand. De eerste aantekeningen (‘Om helemaal dood ter zijn zoekt ze insecten uit om die te doden.’) zijn uit 1942. Midden in een oorlog wordt een mens al snel een vijand van de dood: ‘De haast van de doden: ze willen zo snel mogelijk weg uit het gebied van de explosies.’ Is hij niet gewoon een pacifist die dat niet wil weten? (‘Oorlogen worden gevoerd ter wille van zichzelf. Zolang we dat niet toegeven, kunnen ze nooit werkelijk bestreden worden.’)

Oh, het bijtend cynisme van de humanist: ‘De Dom van Keulen is blijven staan: ze konden dus sparen wat ze wilden sparen. Er was iets dat ze wilden sparen. De waarde van toeristen en gedrukte reisgidsen.’ (1945)

‘Ten opzichte van de dieren is iedereen een nazi.’ Zullen we het daar een andere keer over hebben?

Niet alleen maar citeren!

Als je Het boek tegen de dood in stukjes via Twitter verspreidt, merkt niemand dat Canetti dood is. Snel @thetweetofdeath aanmaken.

@thetweetofdeath bestaat al. Het account heeft vier dappere volgers.

Ondanks de overeenkomst in vorm is er een groot verschil tussen de twitteraar en de aforist. Een tweet vraagt om aandacht, wil geliked of gedeeld worden. Een aforisme wil een stukje waarheid vrijbikken, moet in zichzelf voldoende zijn om de lezer even te laten nadenken, zwijgend bij voorkeur. Het wil de tijd even stil zetten, terwijl de tweet juist bedoeld is om iets in beweging te brengen.

Canetti heeft echt een filosofieboek willen maken, voor een man die in de loop der jaren afscheid heeft genomen van God, Freud en Marx. En hij is doodernstig in zijn doodsverzet, dat niet alleen gaat om zijn eigen dood of die van zijn naasten, maar ook om het, eh, concept. Hij heeft geen respect voor religies die een hiernamaals beloven, alleen het terughalen van de doden telt. Dat levert een gewetensvraag op: willen we de doden terug? Niet een paar leuke, maar allemaal?

Ooit had hij een dialoog in zijn hoofd, met een doodsvriend als tegenstem. Kon hij die niet vinden?

Canetti (de schrijver van de bibliotheekverliefde klassieker Het martyrium) schrijft schitterend over boekenkooplust: ‘Het gebaar van het pakken, de vreugde van het geld uitgeven, het mee naar huis nemen of naar de dichtstbijzijnde kroeg, het bekijken, het strelen, het bladeren, het voor jaren wegleggen, en daarna de tijd van een nieuwe ontdekking, als het serieus werd – dat is allemaal onderdeel van een creatief proces waarvan ik de verborgen details niet ken.’ Het fragmentarische van zijn leeslust wordt gespiegeld in de structuur van het boek.

Stervende lezer: ‘Ik wil nooit weten welke van die boeken er ongelezen zullen blijven.’

Het is altijd fijn als Don Quichot even wordt genoemd.

Het spannende van Het boek tegen de dood is dat je weet hoe het afloopt (boek niet af, schrijver dood), maar dat je niet weet hoe Canetti daarmee om zal gaan.

Het enige dat ik miste in de bezorging van Ria van Hengels scherpe vertaling is een heldere verantwoording van welke fragmenten al eerder in het Nederlands zijn verschenen. Geluk bij dat ongeluk: daardoor wil je alles zelf opzoeken en zit je voor je het weet tussen je eigen Canetti’s aan tafel.

Perpetuum mobile van een goed voornemen: Massa en macht lezen.

In 1987, zeven jaar voor zijn dood: ‘Toch geloof ik dat ik de laatste en echt belangrijke dingen alleen kan zeggen als ik weet dat ik de ontvangst niet zal meemaken [...] Het gaat niet om mij, het gaat om de dood.’ Niets ijdelers dan benadrukken dat het niet om jezelf gaat.

De nederlaag van een 81-jarige: ‘Vanochtend is er iets vreselijks begonnen. Ik ben opgestaan met het gevoel dat ik niet meer wil leven. Walging van alles. Ik wil niet meer.’ Van schrik vervolgt hij met een hele rij citaten van anderen.

Aantekening achterin: strepen zetten is geen doen in dit boek.

Canetti verloor vroeg zijn vader, maakte twee wereldoorlogen mee en werd pas heel laat vader. Beter: maakte pas heel laat een geboorte mee. Hij begrijpt zelf ook dat dat laatste niet los gezien kan worden van zijn levenslange doodsvijandschap. Hij leefde tot zijn 67ste als iemand die met groot geld heeft betaald en wacht op zijn wisselgeld.

Aardigheidje voor Hollandse wie-wist-wat-en-wanneerdebatjes: Canetti schreef in 1943 over ‘de vergiftiging van Joden in de gifgaskamers’.

Oude mannen zijn niet mild: razend is Canetti ten tijde van de eerste Golfoorlog. Hij wil Saddam Hoessein vermoorden. (Uit de mond van de doodsvijand!) Eigenlijk nog kwader wordt hij bij de gedachte dat Saddam zijn misdaden pleegde met in Duitsland gekocht gas. Duits gas!

De verwaten recensent ziet dat een door hemzelf met ‘glimlachen’ aangetekend aforisme ook in de verantwoording wordt aangehaald: ‘Een kritische moordenaar: het slachtoffer bevalt hem niet.’

Slotsom: ‘Het is tijd om mij weer dingen mee te delen. Zonder dat schrijven val ik uit elkaar. Ik voel hoe mijn leven zich oplost in suffig, somber gepieker omdat ik niet méér dingen over mezelf opschrijf. Ik wil proberen dat te veranderen.’ Het verlangen te veranderen als aller-, allerlaatste woorden van uitgerekend dit boek, van dit leven.