Verzwijgen is zilver

Patholoog Chris Meijer mocht zwijgen over zijn conflicterende belangen, vond een commissie onlangs. Dit oordeel verbaast integriteitsdeskundigen, die vinden dat wetenschappers open moeten zijn over hun zakelijke belangen bij onderzoek.

IIlustratie Roel Venderbosch

‘Er is nog geen breed gedragen overeenstemming” over „wat wordt verstaan onder wetenschappelijke integriteit”. Dit schrijft de commissie die moet oordelen over wetenschappelijke integriteit bij een van de grootste universitaire ziekenhuizen van Nederland.

Die Commissie Wetenschappelijke Integriteit (CWI) van de Amsterdamse Vrije Universiteit (VU) en ziekenhuis VUmc maakte vorige maand een rapport openbaar over de zakelijke belangen van één van haar hoogleraren, klinisch patholoog Chris Meijer.

Diens zakelijke belangen waren evident. Maanden na publicatie in NRC in juni vorig jaar, bevestigde het ziekenhuis deze met eigen onderzoek. Daarin stond nog iets uitgebreider welke belangen Meijer (naar eigen zeggen) had. Een tweede intern onderzoek van het ziekenhuis – nu van de integriteitscommissie – moest uitwijzen welke belangen hij gedurende welke onderzoeken had, welke hij bij publicaties had vermeld en of Meijer hiermee de wetenschappelijke integriteit had geschonden.

De integriteitscommissie stelde vast dat Meijer zijn zakelijke belangen meermaals niet had vermeld, maar dat hij dit veelal ook niet had hoeven te doen. Bijvoorbeeld omdat het „niet duidelijk was” of de hoogleraar deze had moeten melden.

Rondgang

Een rondgang langs deskundigen, betrokken vakorganisaties en de wetenschappelijke integriteitscommissies van andere universiteiten leert dat de opvattingen van de commissie in de academische wereld niet breed worden gedeeld. „Ik dacht eerst dat ik een rapport van een advocatenkantoor las”, zegt John Overbeke. Hij was hoofdredacteur van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en bijzonder hoogleraar Medische verslaglegging. „Het leest als een pure verdediging van meneer Meijer.”

Een voorbeeld, uit het rapport. Meijer was in 2014 mede-eigenaar van een van slechts twee Nederlandse fabrikanten van een product waarmee vrouwen zelf thuis vaginaal celmateriaal kunnen afnemen. Idee is dat vrouwen dan niet naar de dokter hoeven voor een vijfjaarlijks uitstrijkje; ze sturen dit materiaal gewoon op. Het ene bedrijf had er een borsteltje voor. Het bedrijf Delphi Bioscience waarvan de hoogleraar mede-eigenaar was, een spuit.

De hoogleraar onderzocht waarom vrouwen voor deze ‘zelfafname’ kozen en vermeldde bij de publicatie niet dat hij aandelen had in de fabrikant van de spuit. De hoogleraar was „niet verplicht dit belang te melden”, oordeelt de integriteitscommissie. „Naar de mening van de commissie is het [...] uitgesloten dat het zakelijk belang in Bioscience werd gediend.”

Dat is om twee redenen opvallend. De studie kwam op een beslissend moment. De minister had al besloten dat er een nieuw bevolkingsonderzoek moest komen, maar nog niet wat de rol van zelfafname hierin zou zijn. Fabrikanten weten dat als ze een product mogen leveren voor een bevolkingsonderzoek ze voor jaren binnen zijn – een goudmijn.

Het oordeel is ook opvallend omdat de norm is dat wetenschappers alle relevante zakelijke belangen melden. Dat eisen de tijdschriften en staat in de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening van 2014 waaraan alle universiteiten zich hebben verbonden: „Mogelijke schijn van belangenverstrengeling wordt altijd vermeden dan wel vermeld in publicaties.”

Nog een voorbeeld uit het rapport. Een vergelijkend onderzoek tussen de spuit en het borsteltje, ook in 2014. Uitkomst: de producten zijn nagenoeg gelijkwaardig. De integriteitscommissie „ziet niet in op welke wijze een zakelijk belang in Delphi Bioscience zou kunnen zijn bevoordeeld. Meijer was daarom niet verplicht een belang te melden.”

Hoogleraar Jan Smit, voorzitter van de Adviesraad Integriteit van Wetenschap van de Nijmeegse Radboud Universiteit: „Het bevreemdt mij dat de commissie het standpunt inneemt dat er een relatie bestaat tussen de meldingsplicht van mogelijk conflicterende belangen enerzijds en de uitkomsten van een betreffend onderzoek anderzijds.”

Pim Lévelt, de emeritus hoogleraar psycholinguïstiek die het onderzoek naar wetenschapsfraude door sociaal-psycholoog Diederik Stapel leidde, wijst op de voorbeelden in het rapport waar Meijer volgens de commissie niet verplicht was zijn belang te vermelden. „Men kan zich afvragen of iemand in deze belangrijke academische positie er niet beter aan had gedaan dat belang wel te melden.”

Transparantie

De integriteitscommissie stelt de al jaren algemeen geaccepteerde gedragscode al in de inleiding ter discussie. Wat ís wetenschappelijke integriteit eigenlijk? Moeten wetenschappers wel alle relevante belangen melden? Ook als ze er niets bij te winnen hebben? En als veel wetenschappers betrokken zijn bij een onderzoek, hoe belangrijk is de invloed van die ene dan nog? Hun conclusie: alleen als wetenschappers baat hebben bij de uitkomst van een onderzoek, hoeven ze een belang te melden.

„Ik had van een integriteitscommissie van een christelijke universiteit wat meer beroep op normen en waarden verwacht”, zegt Overbeke. Dat Meijer zijn aandelen in de fabrikant niet had hoeven te melden „gaat ver”, zegt hij.

Transparantie is nodig „in alle fasen van het onderzoek”, zegt Smit. „Die transparantie kan niet afhankelijk zijn van de resultaten van het onderzoek.” Ook hij wijst op de Nederlandse gedragscode. Maar die is volgens een woordvoerder van de Nederlandse universitaire ziekenhuizen NFU niet bindend. Elke universiteit heeft deze op eigen wijze uitgewerkt. Een nieuwe versie moet voor iedereen „nog duidelijker” maken wat de regels zijn.

‘Elkaar de maat nemen’

De Nederlandse pathologenvereniging NVVP schreef in een reactie op het rapport aan haar leden nog maar eens dat ze „volledig transparant moeten zijn” over zakelijke belangen. „Onafhankelijk van de resultaten van hun onderzoek.” Het NVVP-bestuur stelt nu een commissie in „die een aantal concrete situaties aan de gedragscodes zal toetsen” en roept haar leden op voorbeelden aan te dragen.

De integriteitscommissie zelf wil, ook na herhaalde verzoeken, geen toelichting geven op haar bevindingen en geen vragen beantwoorden. De raad van bestuur van het VUmc nam de conclusies van haar commissie direct en integraal over en „stelt vast dat de feiten, zoals die door de CWI naar voren zijn gebracht, de deugdelijkheid van het wetenschappelijk werk van prof. Meijer ondersteunen.”

Met het omstreden rapport lijkt de kwestie voorlopig afgedaan. Minister van Volksgezondheid Edith Schippers (VVD) zei in de Tweede Kamer niet op het rapport te willen reageren. Ze meent „dat wetenschappers elkaar wetenschappelijk de maat moeten nemen.” De enige instantie die formeel een oordeel kan vellen over het werk van de integriteitscommissie is het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI). Dat kan zich over de besluiten buigen als een van de betrokken partijen - klager, beklaagde, bestuur – zich er niet in kan vinden. In dit geval is er geen klager. Het ziekenhuisbestuur verstrekte de opdracht.