Column

Nieuws met gaatjes

S. Montag

Dit gebeurde vorige week, op een van die warme avonden, om een uur of elf. Ik zat in de tram, het voorste compartiment dat ik deelde met een heer van het type dat je nog maar zelden ziet. Een gleufhoed, overhemd met das, driedelig pak en goedgepoetste schoenen. De chauffeur had een raampje opengezet, een weldadig windje woei zachtjes door de ruimte en af en toe rook ik ook een vleugje aftershave.

Deze meneer zat de krant te lezen, althans probeerde het, maar de wind wilde op zijn eigen manier door het nieuws bladeren, greep de linkerbovenkant en veranderde die in een bundel ordeloos fladderend papier. De eigenaar gaf geen krimp, trok op een bovenbeen de rommel recht en probeerde weer te lezen. Een gevecht tussen mens en natuurkrachten, altijd weer een boeiend schouwspel.

Dit kleine drama had bovendien een extra kwaliteit. Waar zie je tegenwoordig omstreeks die tijd nog een deftige meneer met een krant in de tram? Zoiets zou je eerder in Madame Tussaud verwachten.

Intussen had de meneer nieuwe tegenstand ontmoet. Hij wilde waarschijnlijk iets op pagina vijf lezen maar die bleef op de een of andere manier met de pagina drie verbonden, alsof ze aan elkaar vastgelijmd waren, door een luchtledig waarschijnlijk. Door hard te blazen probeerde hij de twee vellen papier te scheiden. Vergeefs. Hij likte aan zijn duim en wijsvinger en schoof de pagina’s over elkaar. Het lukte! Met een overwinnaarsblik keek hij even in het rond en trof mijn blik. Zachtjes zei ik: Bravo.

Door dit kleine drama besefte ik dat de krantenlezer langzamerhand maar steeds sneller bij de geschiedenis wordt ingelijfd. Technisch gezien is de papieren krant een onhandig medium. De uitgever ambieert een zo groot mogelijke volledigheid, en het is fantastisch wat hij en zijn redactie op dit gebied presteren. Iedere dag nieuws uit de hele wereld en wat we daarvan moeten vinden. Maar ook een vervolgverhaal, komische en satirische tekeningen, columns, moppen, prachtige foto’s, en dat alles samengeperst in een pagina of vijftig. Goed beschouwd zes maal per week een wonder.

Af en toe maakt de redactie een vergissing en daarvan wordt de volgende dag dan weer keurig melding gemaakt. Het eerste dagblad is al een paar honderd jaar geleden verschenen. Sindsdien heeft het zich uitgebreid tot een wereldinstituut.

Alleen daarom al zou je denken dat het onkwetsbaar is. Maar zoals die avond in de tram weer eens bleek, heeft het ook zijn tekortkomingen. Het moderne dagblad van tabloidformaat is feitelijk in tweeën gedeeld. In het midden zit een scherpe vouw en soms zie je daar twee nietjes waardoor de hele zaak bij elkaar wordt gehouden. Maar kijk nu eens naar de rand van de eerste helft van de pagina’s. Die is niet recht afgesneden maar fijn gekarteld. Als je ze, zoals die meneer in de tram, van elkaar wil blazen, ontsnapt de lucht en dan zit je je daar vergeefs van je adem te beroven.

En dan de pagina’s achter de vouw. Die zijn op negen plaatsen geperforeerd met piepkleine gaatjes. De stukjes papier zitten voor driekwart nog aan de pagina vast en vormen op die manier een verbinding met het grote geheel. Ook daardoor wordt het omslaan van de pagina’s belemmerd. En in de geschiedenis van het dagbladwezen heeft zich nog geen genie aangediend dat deze gaatjes overbodig maakte.

Ik besef dat het allemaal kleinigheden zijn. Maar intussen is het dagblad in een nieuwe fase van zijn ontwikkeling aangekomen. De wereld is ingewikkelder en gevaarlijker en tegen de digitale communicatiemiddelen hoef je niet te blazen om ze aan de gang te krijgen. En de elektronische mens wordt steeds gemakzuchtiger.