Mijn eigen weg naar onderzoek

Robbert Dijkgraaf heeft een vraag. De wetenschap is enorm gegroeid, de communicatie ook. Waarom dan niet de wetenschapscommunicatie?

Stel dat een tijdreismachine iemand van vijftig jaar geleden naar 2016 zou brengen. Waar zou deze persoon het meest van onder de indruk zijn? Mijn top-twee categorieën zouden wetenschap en communicatie zijn. Beide gebieden zijn geëxplodeerd en onherkenbaar veranderd. Denk aan wat de revoluties in de moleculaire biologie en de nanotechnologie hebben gebracht. En wat te denken van de smartphone en internet? De tijdreiziger zou de volgende conclusie kunnen trekken. Als wetenschap en communicatie zo gegroeid zijn, dan moet er een gebied zijn dat met het kwadraat is toegenomen: wetenschapscommunicatie!

Helaas is dat niet het geval. Er is ongetwijfeld meer informatie te vinden dan vijftig jaar geleden, zeker via televisie en de nieuwe media, maar de aanwezigheid van wetenschap in de publieke sfeer is zeker niet geëxplodeerd. Ik heb moeite hier een innovatie te bedenken die zich kan spiegelen aan het kraken van de genetische code of de ontwikkeling van het wereldwijde web – ondanks alle goede pogingen, inclusief die van deze krant en deze columnist.

Deze gedachten gingen door mijn hoofd toen ik vorige week de kantoren van het tijdschrift Scientific American binnentrad. Deze zijn gevestigd in een wolkenkrabber op het zuidelijkste puntje van Manhattan, met een uitzicht op de baai van New York, het Vrijheidsbeeld en Ellis Island, waar zovele immigranten voor het eerst voet aan wal zetten in de Nieuwe Wereld. Ooit was dit tijdschrift mijn eigen vrijheidsbeeld dat mij welkom heette in de wetenschap.

Toen ik midden jaren zeventig op de middelbare school gevraagd werd een spreekbeurt in het Engels te geven, pakte ik het laatste nummer van de Scientific American uit de kiosk.

sa
Ik weet nog goed dat er een abstracte weergave van quarks op de voorkant stond, elementaire deeltjes waar ik toen niets van begreep, maar waar ik jaren later zelf aan zou gaan werken. Binnenin vond ik een interessant artikel over continentale drift dat zich perfect leende voor de voordracht. Maar al gauw bleken alle andere artikelen even leerzaam en begrijpelijk. Maandenlang las ik vervolgens een voor een de oude nummers in de bibliotheek. Zo werkte ik me in omgekeerde chronologische volgorde door de naoorlogse ontdekkingen heen.

Het tijdschrift deed meer dan alleen informatie overbrengen. Met zijn keur aan onderwerpen, columns en illustraties schiep het ook een atmosfeer van orde, belofte, verwondering en speelsheid – één grote advertentie voor de wetenschap. Het meest aansprekende vond ik dat vele artikelen geschreven waren door een team van auteurs afkomstig uit alle windstreken.

Hoe komt het dat wetenschapscommunicatie zich niet zo spectaculair vernieuwd heeft als de twee bestandsdelen? De grote doorbraken in de wetenschap en de technologie werden gevoed door een vruchtbare bodem. Gedreven door de groei van het aantal hogeropgeleiden met de bijbehorende toename in financiële middelen, ontwikkelden universiteiten en laboratoria zich sterk, niet alleen in het traditionele Westen, maar ook wereldwijd. Een vergelijkbaar vruchtbare omgeving leidde tot de groei van de informatietechnologie. De rijkdom en bescherming van innovatiekraamkamers als Silicon Valley , maakte het mogelijk voor entrepreneurs om grote risico’s te nemen.

Maar hoe zit het met de journalistiek? Wat de Amerikaanse stand van zaken betreft was een recente bijeenkomst in Princeton een openbaring. Een aantal wetenschapsjournalisten van prestigieuze tijdschriften en nieuwe media waren uitgenodigd in gesprek te treden met onderzoekers. Al snel viel op dat de wetenschappers veel minder te klagen hadden dan de journalisten. Ze hadden ruim tijd voor onderzoek, konden gemakkelijk reizen en waren in staat langetermijnprojecten te plannen en uit te voeren. De journalisten daarentegen klaagden over de krappe deadlines, krimpende artikelen, de vele uren op kantoor en de uitstapjes die alleen bij hoge uitzondering werden gemaakt – voor sommigen was dit het eerste reisje sinds lange tijd. Het meeste werd gesproken over de terreur van de clicks. Succes was afhankelijk van hoe vaak op je webpagina werd aangeklikt. Belangrijk was dat het artikel niet te lang was, lekker sappig en getooid met een vette kop. Hierbij staken de klachten van de onderzoekers over citatiescores en impactcijfers maar schril af. Een van de weinige uitzonderingen was het digitale tijdschrift Quanta dat de auteurs wel de gelegenheid geeft lange artikelen over moeilijke onderwerpen te schrijven. Maar Quanta wordt geheel gesubsidieerd door filantropie.

De relatief povere vooruitgang in de wetenschapscommunicatie wordt dus vooral verklaard door de geërodeerde grond waarop deze moet groeien. Doorgeschoten marktmechanismen en gebrek aan stabiele financiering maken diepgang en diversiteit steeds moeilijker. Anders dan in wetenschap en technologie is er weinig experimenteerruimte; er zijn geen veilige laboratoria of garages waar nieuwe ideeën kunnen opgroeien. En dat is jammer omdat een publieke vertrouwdheid met de methoden en resultaten van de wetenschap cruciaal is om oplossingen te vinden voor alle grote maatschappelijke uitdagingen. En om zo nu en dan een tiener totaal onverwacht het onderzoek in te lokken.