‘Ik zit hier niet voor de boeren’

Interview Martijn van Dam, staatssecretaris van EZ Nederland wil af van de kern van het Europese landbouwbeleid: directe inkomenssteun voor boeren. „Wij willen financieren wat voor ons allemaal van waarde is.”

Martijn van Dam: „Ondernemers willen gewoon een goed inkomen verdienen. Maakt niet uit hoe.” Foto Andreas ter Laak

Hij werd gepasseerd bij de formatie. Dat was „een teleurstelling”, erkent Martijn van Dam (PvdA). Maar toen een partijgenoot moest opstappen, kwam er op het nippertje in dit kabinet plek voor hem vrij. Inmiddels is Van Dam zes maanden staatssecretaris van Economische Zaken. In de praktijk is dat vooral landbouw. Past bij hem, vindt Van Dam (38). „Het mooie aan deze portefeuille is dat het gaat om wat je gezond en gelukkig maakt: eten en groen.”

Landbouw is echter ook een terrein waarop de coalitiegenoten het vaak zeer met elkaar oneens zijn. Daarbij zijn boeren notoire mopperaars. Als er een voedselschandaal is, loopt het hele land te hoop. Voorts is landbouw politiek niet erg zichtbaar. Ook niet zo sexy. En Van Dam heeft nog maar maximaal tien maanden de tijd om zich te doen gelden.

Het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie biedt intussen wel de kans om naam te maken. Vrijdagavond stuurde Van Dam zijn Europese collega’s een ingrijpend plan om het Europese landbouwsubsidiestelsel te herzien. Het Europese landbouwbeleid kost jaarlijks zo’n 60 miljard euro. Het is de grootste kostenpost op de totale begroting van de EU (bijna 40 procent), en daarmee ook een politieke splijtzwam. Daaraan tornen is vragen om ruzie.

Nu is de kern van het Europese landbouwbeleid directe inkomenssteun voor boeren. Nederland wil daarvan af. Boeren zouden voortaan overwegend subsidies moeten krijgen die gekoppeld zijn aan het realiseren van ‘maatschappelijke opgaven’. Denk daarbij aan duurzaamheid, natuurbehoud en dierenwelzijn. Wel zouden boeren moeten worden gecompenseerd als de prijzen kelderen. Verder zou een deel van het landbouwbudget moeten worden ingezet voor vernieuwing en verdere automatisering.

„De essentie van het verhaal is dat we op een andere manier willen financieren”, aldus Van Dam. „Wij willen vergoeden wat voor ons allemaal van waarde is. Dat je buiten de stad weilanden ziet, is voor ons allemaal heel waardevol. Maar voor een melkveehouder is het nu lucratiever als hij alle onkruid bestrijdt. Dat leidt tot minder biodiversiteit. Minder weidevogels. Als wij van die vogels genieten, vind ik het niet onterecht om de boer daarvoor te vergoeden. De subsidies moeten dus worden gekoppeld aan maatschappelijke opgaven. Verder willen we vooruitgang subsidiëren. Dus boeren stimuleren die willen innoveren en investeren in duurzamere productie.”

U komt aan de inkomenssteun. U durft.

„Landbouw is een van de pijlers waarop Europa is gebouwd. Na de oorlog was een van de belangrijkste ambities dat we genoeg voedsel moetsen produceren, zodat we nooit meer honger zouden krijgen. Dat is gelukt. Maar nog steeds gaat 40 procent van wat wij aan Europa afdragen naar het landbouwbeleid. Dan wil ik ook dat het op de toekomst is gericht. Kijk dertig, veertig jaar vooruit. Hoe voeden onze kinderen zich?”

Geeft u maar antwoord.

„Zij zullen genoeg te eten hebben. Maar de vraag is of onze natuur en het klimaat de bevolkingsgroei en de toenemende verstedelijking aankunnen. En het antwoord hierop is nee. Steden voorzien van gezond voedsel dat is geproduceerd op een manier die de natuur respecteert, dat wordt voor Europa een grote uitdaging. Maar het huidige landbouwbeleid is daar helemaal niet op gericht. Het is nog steeds gericht op de producent. Het geeft een vaste inkomenssteun aan boeren. Het subsidieert in feite stilstand. Je hoeft als bedrijf geen stappen vooruit te zetten, want je hebt altijd een zekerheid.

„Maar we zullen productiever moeten worden, als de bevolking groeit. In Nederland woont al driekwart van de bevolking in stedelijk gebied. En als je de stad uitfietst, ben je binnen een kwartier in het groen. Dat is waardevol, en dat moet zo blijven, ondanks stijgende productie.”

Uw plan klinkt nogal Nederlands. Zo wilt u innovatie subsidiëren. Dat treft, want wij hebben een universiteit in Wageningen waar veel innovatie vandaan komt. Maar Nederland is voorzitter van heel Europa. Denkt u dat alle lidstaten dit plan toejuichen?

„Nee.” Van Dam lacht kort en hard. „Het is bewust een steen in de vijver. En hij zal rimpelingen veroorzaken. De discussie zal er stevig aan toe gaan.”

Waar verwacht u weerstand?

„Dat is moeilijk te voorspellen. Je denkt snel aan de Fransen. Maar die hebben ook dierenwelzijn en klimaat hoog op hun agenda staan. Er liggen heel grote uitdagingen voor een aantal Oost-Europese landen. Daar zijn veel heel kleine boeren, die vooral gericht zijn op eigen voorziening. Hun overtuiging is vooral dat ze in hun inkomen gesteund moeten worden, om te blijven bestaan. Mijn overtuiging is echter dat we in heel Europa een verandering moeten doormaken, voor onze kinderen. Dit is geld van ons allemaal. Dus dat moet je besteden aan doelen die voor ons allemaal belangrijk zijn.”

Wat zullen de boeren hiervan vinden? Wil een ondernemer niet efficiënt produceren? U wilt van boeren een soort boswachters maken.

„Ondernemers willen gewoon een goed inkomen verdienen. Maakt niet uit hoe.”

Is het niet naïef te denken dat uw plan zal worden uitgevoerd?

„Ik denk echt dat het kan. En dat het moet. Het landbouwbeleid moet op de schop. Wij beogen het begin van de discussie te maken. Dit beleid zou pas in 2020 ingaan. Maar het is belangrijk voor ons om een aantal piketpalen te slaan.”

Moet die discussie nú worden gevoerd, in tijden van een vluchtelingencrisis, eurocrises en wantrouwen jegens Brussel? Het landbouwbeleid is ongeveer het enige dat wel goed loopt in Europa. En u gaat daaraan sjorren.

„Het is cruciaal om op tijd met deze discussie te beginnen. Want de wereldbevolking gaat in een generatie met een kwart groeien. Als we deze discussie een half jaar uitstellen, heb je kans dat je achter de feiten aanloopt. En het is goed voor Nederland om de aftrap te verzorgen. Want wij zijn niet alleen voorzitter nu, we hebben op dit terrein ook een unieke positie. We zijn de tweede exportnatie van landbouwproducten ter wereld. En onze landbouw is de meest productieve van heel Europa.”

Wat is in Nederland uw grootste zorg?

„In Nederland is het voedsel veiliger dan ooit. Maar het vertrouwen is lager dan ooit. Dat moet ik me aantrekken. Als eten iets is wat je gezond en gelukkig kan maken, vereist dat wel vertrouwen in waar dat eten vandaan komt, hoe het geproduceerd is, dat je weet wat erin zit. Dus de voedselproductie moet transparanter. En ook natuurlijk, minder gewasbeschermingsmiddelen, beter omgaan met de bodem. Er is meer focus nodig op kwaliteit, in plaats van kwantiteit. Consumenten vragen dat ook. Daarvoor is innovatie nodig, zoals de inzet van drones. Tegelijk pleit ik voor traditionelere bedrijfsmodellen, waarbij boeren weer produceren voor de regio.”

Wat kan de overheid aan het consumentenvertrouwen doen?

„We zoeken bijvoorbeeld boeren uit die koploper willen zijn. Zoals boeren die geen bulk meer willen produceren, maar vlees van dieren die een beter leven hebben gehad. Om hun een gezicht te geven, ontwikkelen we met het bedrijfsleven een app zodat je in de supermarkt met je telefoon een sticker kunt scannen om te zien van welke boer het komt. We leren kinderen op scholen meer waar eten vandaan komt en hoe je het klaarmaakt. Zo zoek ik wat de overheid in zijn beperkte rol kan doen. Want we hebben een beperkt budget. En ik geloof niet zo in regels.”

U klinkt als de premier. Rutte (VVD) hekelde laatst bij een bijeenkomst van de voedselindustrie ook de ‘regeltjes’. Gevraagd naar zijn lievelingseten riep hij: een Magnum. Hij vond gezond eten ook maar stom. U zegt daarentegen: eet fruit. In hoeverre moet de staat bepalen wat gezond is?

„Moet je dan zeggen: zoek het zelf maar uit? Zo ben ik niet. Ik voel me prettiger in een samenleving waarin we naar elkaar omkijken en niet de hele dag denken ‘gaat het goed met mij’. De overheid kan niet alles voor je regelen, maar soms wel een beetje helpen.”

De grote fruitschaal op uw tafel, is dat omkijken naar uw gasten, protest tegen de Magnum van Rutte of eigenbelang?

Van Dam lacht. „Dat is eigenbelang. Ik zit opeens zoveel. Voor je het weet, eet je ook ongezond. En ik wil het goede voorbeeld geven. Slechts 1 procent van de kinderen eet genoeg groente. En 5 procent eet genoeg fruit.”

Hoe eten uw eigen kinderen?

„Heel verschillend… Eh. Ik weet wel dat het moeilijk is. Maar wij zijn er thuis wel bewust mee bezig. Veel ouders zijn zich er niet eens bewust van. Er zijn ouders die hun kind appelsap geven en denken ze daarmee voldoende fruit krijgen. Maar in appelsap zit evenveel suiker als in cola. Wie vertelt hen dat? De overheid dus. Omdat niemand anders het doet.”

En in hoeverre is de staat verantwoordelijk voor het overeind houden van de boer? De laatste jaren bestond het inkomen van vleeskalverhouders voor 92 procent uit subsidies.

„Ik zit bij de PvdA omdat die partij twee grote idealen combineert: vooruitgang en kijken naar het maatschappelijke belang. Zo bezie ik ook mijn portefeuille. Wat is het maatschappelijke belang van het houden van vleeskalveren? Dat zie ik niet. Het maatschappelijke belang zit hem in dierenwelzijn en de natuur.”

Achter uw rug klagen boeren over u. Ze zeggen: Van Dam is meer voor de dieren dan voor ons.

„Een deel van de boeren ziet niet wat de maatschappij voor veranderingen van hen vraagt. Dat moet wel. En inderdaad, ik zit hier voor iedereen. Ik zit hier niet voor de boeren.”