Ik denk best vaak: ik word gek

Actrice en theatermaker Carly Wijs (49) debuteert als schrijver met de roman Het twijfelexperiment. Ze schreef het in de jaren dat ze een hoofdrol speelde in de populaire tv-serie Divorce. Wijs woont met haar zoon in de Brusselse wijk Molenbeek.

Foto Andreas Terlaak

Twijfelexperiment

„Ooit heb ik naar mijn geestelijk gehandicapte zus gekeken met de gedachte: Wat als ze doet alsof. Het duurde maar even, een kwartiertje ofzo. Veel mensen met een geestelijk gehandicapte broer of zus hebben dat weleens gedacht, blijkt als ik het vertel. Een wensgedachte, natuurlijk. De hoofdpersoon uit Het Twijfelexperiment, Vicky, denkt het ook en blijft het denken. Het boek is niet autobiografisch. Mijn moeder is niet Engels, zoals haar moeder, maar Schots. De vaderfiguur is ontleend aan een interview dat ik ooit las met de zoon van de weduwe Rost van Tonningen. Een lange man die een beetje krom loopt onder het gewicht van die vrouw.”

Staccato

„Het karkas stond in vijf maanden op papier, het herschrijven heeft daarna nog heel lang geduurd. Er waren veel dingen die ik gewoon niet kon. Lange dialogen bijvoorbeeld. Het is te staccato, zei mijn redacteur, het gaat te lang door. Ik merkte dat ik met een toneeloog naar de teksten keek, ik hoorde ze uitgesproken worden. Als je in een toneelstuk ziet staan: ‘Hij sloeg zijn ogen neer’, denk je als acteur: dat maak ik zelf wel uit. In een roman heb je meer duiding nodig van wat er wordt gezegd.”

Praten

„Bij ons thuis werd weinig gepraat. Wat mijn zus had, wist ik helemaal niet. Daar ben ik pas veel later achtergekomen. Ze had PKU, een stofwisselingsstoornis. De waarde van de stof phenylalanine in het bloed wordt te hoog. Als je niet op dieet gaat, gaat die stof als gif naar je hersenen. Je kunt de ziekte alleen krijgen als je vader én je moeder het gen hebben. Nu doen ze er hielprikjes voor. Mijn zus ging al uit huis toen ik anderhalf was, alleen in het weekend kwam ze thuis. Ze kon heel emotioneel, driftig, extreem worden, maar ik herinner me haar niet als storende factor. Dat mijn moeder met een accent sprak was veel opvallender. Wij spraken altijd Engels met mijn moeder, mijn vader ook. In een van de grote ruzies van de puberteit schreeuwde mijn andere zus tegen haar: kutwijf! Waarop mijn moeder zei: kut, kut, wat is kut.”

Honderd

„Ik denk dat mijn ouders nooit helemaal voorbij het verdriet over mijn zus zijn gekomen. Mijn moeder, ze is bijna negentig, kan haar nog altijd niet loslaten. Nog steeds komt mijn zus om het weekend bij haar. We hebben het erover gehad met de huisarts. Die zei: Dat je moeder dat nog doet maakt dat ze misschien wel honderd wordt. Als mijn zus bij mijn andere zus is, geeft dat voor mijn moeder eigenlijk nog meer spanning. Dan loopt ze er de hele dag achteraan om te controleren of wij haar niet volstoppen met alles wat ze niet mag.”

Divorce

„Nog nooit had ik meegemaakt dat een rol echt op mij geschreven werd, en dat mensen dan gaan denken dat je de rol bént. Dat gebeurde met de geldbeluste ex Tamar Mendelbaum in Divorce. Als ik in de bus zat, zag ik de blikken: Tamar in de bus? Die moet in een taxi! Na het eerste seizoen was ik op fietsvakantie in Zeeland, we stonden op een goedkope camping. Sta je met je tandenborstel en wc-rol in de gang van het toilettenblok, zie je iedereen naar je kijken. Dan ga je zelf ook denken: Tamar Mendelbaum doet dit niet. En: Dit moet ik maar niet meer doen. Je bent niet meer anoniem. Als ‘die mevrouw’ een wind laat is het niet zo erg, wel als iedereen weet wie je bent. Ik denk niet dat ik door de serie echt een bekende Nederlander ben geworden, al heb ik ook een keer meegedaan aan een quiz, Ik hou van Holland. Ik maakte een spelfout, plaatste Vlissingen waar Breskens was – Roy Donders ontpopte zich tot mijn intellectuele superieur.”

Molenbeek

„Brussel heb ik leren kennen in een periode van verliefdheid. Dan word je ook verliefd op de stad. Toen mijn zoon werd geboren deed ik drie voorstellingen per jaar, ik kon niet eens de oppas betalen. Ik ben les gaan geven op de theaterschool in Molenbeek. Mijn leerlingen zijn 18 tot 24 jaar, de leeftijd dat je ontdekt wie je bent. Het is zó inspirerend. Ik denk dat ik de moed en arrogantie om een boek te schrijven van hen heb afgekeken. De theaterschool is een witte puist in Molenbeek. Alle theaterscholen zijn te wit, denk ik. Het is een school waar je uit passie naar toe gaat, niet voor een zekere baan. Als je de eerste in je familie bent die gaat studeren, zeggen je ouders: dan maar geneeskunde.”

Losers

„Na de aanslagen in Parijs was ik kwaad. Le Marais, Le Bataclan, dat waren wij. Jongens uit Molenbeek die het hadden gedaan. Losers, dacht ik, wij hebben jarenlang jullie uitkering betaald. Kort erna sprak ik een vriendin, moslima, die een huiszoeking had gehad. In haar straat is een restaurant waar de daders veel kwamen. Ze zei: ‘Ik zit met vijf kinderen thuis, ze komen binnen met grote geweren, ze nemen je huis over.’ Ik zei: ‘Ik ben zó kwaad. Waarom hebben ze op ons geschoten?’ Ze keek me aan en zuchtte: ‘Les riches, ils ont attaqué les riches.’ Hoezo, vroeg ik, wij zijn helemaal niet rijk, en wij zijn de antiracisten! Later realiseerde ik me: al verdien ik per maand minder, ik ben rijker dan zij. Haar kind heeft minder kansen dan mijn kind. Haar zoon zeker. Dat was een raar gevoel. Ik dacht: Mensen kijken niet naar mij, ze zien de groep waar ik toe behoor.”

Bakker

„Mijn zoon, hij is tien, wil niet praten over de terreur in Brussel. Maar het zit hem hoog. Ik stuurde hem naar de bakker en na tien seconden ging de bel weer. ‘Er kwam een man de straat in gelopen. Ik ben maar terug naar huis gerend.’ Dat was vroeger het leukste wat er was: alleen naar de bakker.”

Verbouwing

Het Twijfelexperiment is geschreven tussen zeven en elf ’s ochtends, de uren van de halfsluimer. Je bent je droom van die nacht al vergeten maar die plakt nog aan je geest. In het begin was de hoofdpersoon een vrij rationeel figuur. Langzamerhand is erin gekomen dat ze een beetje gek wordt. Misschien is dat gestuurd door de omstandigheden – er is een grote verbouwing achter mijn huis. Het nieuwe gebouw staat zeventig centimeter verder mijn kant op dan mag, bouwspullen staan in onze tuin, op een gegeven moment stond er een container pal voor mijn slaapkamerraam. Best vaak denk ik: Ik word gek. Het maakt niet uit wat ik zeg, ze gaan gewoon door.”

Flatgebouw

„Ik heb altijd in onaffe huizen gewoond. Ik moet het gevoel hebben dat er nog ruimte is voor verbetering, voor hoop. Brussel, waar je de hoop erg moet omarmen, is dan een uitstekende plek. Het is pas de laatste tijd dat ik de wanhoop meer voel. Het wordt deprimerend omringd te zijn door mensen die zich opblazen. Ook omdat ik niet voel dat er iets verandert. Ik denk niet dat arme mensen het binnen afzienbare tijd beter krijgen, dat de politie wordt hervormd. Ik zie alleen repressie. Vlakbij is een flatgebouw waar 80 procent van de jongeren in aanraking is geweest met de politie. Wat zeggen wij: nou nou, toch wel een probleem. Maar ga eens in die flat staan. Als 80 procent van jouw jongeren met de politie in aanraking is geweest, dan zou je toch echt gaan denken: de politie is racistisch. Wat waar is weet ik niet. Het wordt niet onderzocht. Mensen staan zo met de hakken in het zand, zijn zo overtuigd van hun eigen gelijk. Dat kan gevaarlijk zijn.”