Uiteindelijk zoek ik bij mijn krant toch een soort nestgevoel

Na lezing van Wie gelooft nog wat de krant schrijft (NRC-ombudsman, 17 mei) ben ik bij mezelf te rade gegaan. Wat zoek ik eigenlijk bij mijn dagblad. Ik heb u nog wel zó hoog dat geloofwaardigheid nu niet het eerste probleem is dat mij te binnen schiet. Uiteindelijk zoek ik bij mijn krant toch een soort nestgevoel. Natuurlijk ook feitelijke verslaglegging, maar objectiviteit bestaat niet. De selectie van het nieuws impliceert een filter dat wordt gestuurd door opvattingen over wat belangrijk is. Ik zoek naar een krant die wat dat betreft met mijn opvattingen spoort. Dat de krant je prikkelt met beschouwingen, ook over eigen opvattingen, is prima, maar de grondtoon moet je met elkaar gemeen hebben. Die grondtoon vind je in het commentaar, bij columnisten en in brieven. Voor wat die columnisten betreft: dat verdraagt vanzelfsprekend een grotere bandbreedte rond eigen opvattingen, of is daar zelfs een vereiste. Toch geldt ook daar: het geheel van alle columns moet zich niet te ver van de eigen opvattingen verwijderen. Je verwacht van je krant toch ook dat ze bij de selectie van hun journalisten en columnisten mensen zoeken die qua grondtoon bij het nest passen. Balanceren tussen meer van hetzelfde en afwijkende geluiden. Wat betreft de brieven: tot mijn leedwezen moet ik constateren dat NRC de ruimte voor weerwoord van haar lezers systematisch lijkt terug te dringen. U lijkt steeds minder in gesprek met uw lezers. Ik hoop dat u wat dat betreft op uw schreden terugkeert.