De fraudeur is ons altijd drie stappen voor

Misdaad Rechercheurs die met archiefdozen en pc’s naar buiten lopen, dat is het beeld van een FIOD-inval. Nu fraude internationaler en digitaler wordt gaat het steeds minder op. Portret van een steeds machtiger maar gesloten organisatie.

FIOD-kantoor in Amsterdam. Het werk maakt achterdochtig. „Als ik nu op het nieuws zie datlimited editions van sneakers veel waard zijn, denk ik meteen: mooie witwasmogelijkheid.” Foto's Peter de Krom

Een moordzaak begint met een lijk. Aan de politie er een dader bij te zoeken. Het bestrijden van financiële misdaad begint met een tip: over een delict én de vermoedelijke dader. Alleen, zie het maar eens te bewijzen.

Deze tip bijvoorbeeld, zeggen kenners: een Nederlands bedrijf heeft in Angola een dictator betaald. Veel succes ermee. „We hadden geen idéé verder.” Of de tip over de Afghaan met een postbus in Zweden, die in Engeland woont, een server in Hongkong gebruikt en een strafbaar feit pleegt in Nederland met hulp van een fiscalist in Zuid-Amerika. „Dat is geen fake voorbeeld. Dat zien we gewoon.”

‘We’ is de FIOD, verantwoordelijk voor de belangrijkste onderzoeken naar fraude, witwassen en corruptie. Bij de Nationale Politie werken ook financieel deskundigen. Maar de opsporingsambtenaren van de FIOD zijn met 1.100, ze zijn hoger opgeleid en doen geen ander politiewerk. „Het volgen van geldstromen hoeft hier niet op dagbasis te concurreren met moord en doodslag”, zegt een medewerker die van de politie komt.

De FIOD (Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst) werd in 1945 opgericht als opsporingsdienst van de Belastingdienst en de Douane. Het was een gesloten ambtenarenorganisatie die zich richtte op overzichtelijke belastingfraude- en smokkelzaken. „Toen ik in 1995 bij de FIOD begon, kreeg ik een maat, een auto, een computer en een zaak, in die volgorde”, zegt projectleider Peter van Leusden. „Daar ging ik een jaar mee op pad. De frauderende bakker op de hoek, de autorijschoolhouder, de koppelbazen.”

Het was de tijd dat huizenprijzen en beurskoersen oneindig leken te stijgen. Mensen vertelden elkaar op borrels hoe ze hun geld in Zwitserland stalden – slim. Steekpenningen waren van de belasting aftrekbaar.

De financiële crisis, spraakmakende strafzaken, internationale kritiek en gelekte documenten over belastingontduiking veranderden de moraal. Fraude kreeg meer politieke aandacht. De wereld veranderde – misdaad werd digitaler en internationaler – en de FIOD veranderde mee, kreeg meer macht. Het budget van 100 miljoen euro loopt de komende jaren op, met 20 miljoen extra in 2018. Het aantal rechercheurs groeit en hun bevoegdheden nemen toe: van gesprekken tappen tot het veilig stellen van DNA.

De FIOD bleef ook lang de gesloten organisatie van vroeger. Op verzoek van deze krant zet de dienst nu voor het eerst de deur open. Voor interne en externe bijeenkomsten en gesprekken met rechercheurs en leidinggevenden (met een woordvoerder die zich niet in de gesprekken mengde). Daarnaast spraken we buitenstaanders die de dienst goed kennen. Portret van een steeds machtiger maar onbekende opsporingsdienst.

Het hoofdkantoor van de FIOD ligt enigszins verscholen in het Utrechtse Kanaleneiland, achter een hek en een slagboom. Zijden orchideeën op de balie. Gangen met systeemplafonds, medewerkers in kamers achter hun computer. Er is geen kantine, boterhammen komen mee van huis. De dienst heeft kantoren in zes regio’s in het land.

Tweederde van de rechercheurs voldoet aan dit profiel: hij is een man van de rond de vijftig met een hbo-diploma, begon al jong bij de Belastingdienst of Douane en ging daarna op zoek naar avontuurlijker of beter betaald werk. Hij schoolde zich intern verder. Hij draagt jeans en een overhemd met strepen of ruiten. Aan kennissen vertelt hij niet waar hij werkt. Aan zijn partner vertelt hij geen details over zijn werk.

Laarzen en gympen

De vacaturestop is voorbij. Er komen nu ook meer vrouwen binnen. Ze zijn vaak jonger en hoger opgeleid. Ze dragen gympen of hoge laarzen. De sfeer op de werkvloer is ontspannen, de directeur heet gewoon Hans. Iedereen kent elkaar en elkaars loonschaal („Hij is een F-er”).

Het werk maakt wel achterdochtig, zegt Marjolein de Wit, kenniscoördinator van het ‘witwascentrum’. Ze noteerde in haar vrije tijd wel eens kentekens van jonge jongens in te dure auto’s. „Als ik nu op het nieuws zie dat limited editions van sneakers veel waard zijn, denk ik meteen: mooie witwasmogelijkheid.”

Vaktechnisch coördinator Eric Schumacher begon op zijn zeventiende bij de marine, kwam daarna bij de Belastingdienst werken en stapte over naar de FIOD. Op het kantoor in Zwolle vertelt hij enthousiast over een van zijn eerste zaken. Een interim-directeur bij de gemeente Amsterdam beweerde dat hij inkomsten niet had opgegeven, omdat hij die aan een medewerker had betaald wiens naam hem overigens was ontschoten.

Op het stadhuis vonden Schumacher en zijn ‘maat’ nog een kerstkaartje van de medewerker. Met diens adres in Limburg. Daar zochten ze hem op en hij vertelde hoe het zat. Schumacher: „Dus wij terug naar die manager. Zijn vrouw doet open in nachtkleding. Hij trekt wit weg. Rent naar zijn bureau. Ik denk: hij pakt een pistool. Maar hij greep documenten, bereid om een verklaring af te leggen.” Het geld bleek niet naar de collega, maar naar een minnares te zijn gegaan. „Toen leerde ik dat je in Monaco in een weekend 50.000 gulden stuk kon slaan”, grijnst hij.

Digitale informatie stroomt moeiteloos over de wereld, dat bemoeilijk de opsporing

Nu gaat het anders. Door het land rijden zonder te weten of een verdachte thuis is? Ondenkbaar. Aanbellen? Te gevaarlijk. Er is een team dat in aanhoudingen is gespecialiseerd. Dat vangt de partner op en zorgt dat de kinderen naar school kunnen. De FIOD licht steeds minder vaak verdachten voor zonsopkomst van hun bed, vanwege die kinderen.

Eén team doet doorzoekingen, een ander neemt bezittingen mee, weer anderen analyseren die. De boekhouding gaat naar de ene afdeling, laptops en telefoons naar het ‘lab’ met forensisch IT-deskundigen in Amsterdam. Niemand werkt meer in vaste koppels, niemand selecteert nog zijn eigen zaken.

Tips komen binnen bij de accountafdelingen. Daar wordt de informatie‘ opgewerkt’, zoals het heet. Stel, er komt een tip over een ondernemer met verzwegen miljoenen in het buitenland. Dan wordt diegene nagetrokken in openbare bronnen, bij de Belastingdienst, zijn antecedenten bij de politie en bankgegevens worden opgevraagd. Een zogeheten ‘stuur- en weegploeg’ bepaalt dan met de Belastingdienst en het Functioneel Parket – de fraudetak van het Openbaar Ministerie – of de zaak belangrijk genoeg is om door te sturen naar een team dat gespecialiseerd is in witwassen, corruptie, of in grote, publicitair gevoelige zaken. Daar kan dan het onderzoek beginnen.

Projectleiders leggen het doel van het onderzoek vast, wanneer het klaar moet zijn, welke opsporingsbevoegdheden ze inzetten, hoeveel mankracht het mag kosten. Dan knippen ze het onderzoek op, in fases met ‘go’s’ en ‘no-go’s’. Acht van de tien onderzoeken gaat uiteindelijk naar het Openbaar Ministerie.

De tip dat een Nederlands bedrijf smeergeld had betaald aan een Angolese dictator groeide zo uit tot een grote zaak: SBM Offshore; een van de vele waarin een Nederlands bedrijf verdacht werd van fraude of directeuren in de verhoorkamers belandden: Ballast Nedam, Rabobank, KPMG, SNS Reaal, Rochdale.

Narcistisch

Daarom zitten op een middag zo’n honderd rechercheurs in een zaaltje boven het Utrechtse winkelcentrum Hoog Catharijne. Topbestuurders verhoren is een vak apart. De rechercheurs leren dat hier. Fraudeverdachten mogen al jaren hun advocaat meenemen naar verhoren, anders praten ze niet. En soms praten ze juíst als hun advocaat zegt dat niet te doen.

„CEO’s zijn vaak narcistisch”, zegt een docent van de Erasmus Universiteit die op narcisme promoveerde en die de workshop leidt. „Ze voelen zich boven de wet verheven en hebben veel behoefte aan bewondering. Maak daar gebruik van.” Werk ze niet tegen, adviseert ze. „Pas als je in hun wereld bent, kan je iets van ze gedaan krijgen.”

Een ‘trainingsacteur’ legt uit wat dit in de praktijk betekent: „Vraag naar zijn jeugd, zijn vrienden, zijn veroveringen. Begin over zijn beginjaren, zijn successen. En dan knikken: wát een omzet, wát een successen. Zet je eigen gevoelens opzij en behandel hem met respect. Zie het als verleiden, nodig hem uit te praten.”

En als hij eenmaal praat over zijn macht, hoe maak je daar dan gebruik van, wil een rechercheur weten.

De acteur geeft het voorbeeld van een topman die van geen fraude zegt te weten. „Je vraagt hem hoe hij zijn bedrijf toch zo groot heeft gekregen. En dat híj dan zegt: ik neem kéiharde beslissingen. Ik beslis alles. Ik leid de company. Dán vraag je naar die deal waarvan hij zei dat hij zich er niet mee bemoeid had.”

Kassa’s afromen

De FIOD doet bij voorkeur zaken die ‘impact’ hebben, die ergens voor staan. Dus niet meer die ene supermarkt, wel de tien supermarkten die allemaal hetzelfde kassasysteem hebben waarmee geld werd afgeroomd. Zaken waarbij een belastingadviseur, notaris of bankier is betrokken. Zaken die veel media-aandacht zullen trekken, zodat soortgelijke fraude wellicht kan worden voorkomen.

Zo hield de dienst de belastingaangiften van Nederlanders met een buitenlandse bankkaart met opvallende bestedingen tegen het licht om in het buitenland verborgen vermogens te vinden. Een recente vangst was de arts met geld in Luxemburg én zeven ton aan bankbiljetten in zijn ventilatieschacht.

De FIOD ging dus strategischer en gerichter werken. Dat kon moeilijk anders nu zaken al lang niet meer alleen van de Belastingdienst en de Douane komen, maar ook van toezichthouders in de financiële sector (AFM en DNB) en de zorg (NZa).

FIOD-afdeling in Amsterdam: „Fraudeurs hebben steeds slimmere adviseurs.”Foto Peter de Krom

Het omslagpunt, zo’n tien jaar geleden, was de ‘Klimop-zaak’; een kolossale verduisteringszaak rond vastgoedfinancier Bouwfonds. Daar was op een gegeven moment de halve FIOD mee bezig. Schumacher: „Toen zeiden ze: als we nog zo’n zaak krijgen, dat lukt gewoon niet.”

Die zaak kostte in totaal 270.000 mandagen. Dat moest anders. Hans van der Vlist, de nieuwe directeur vanaf 2011, vond dat niet elke zaak bij de strafrechter hoorde te komen. Meer zaken worden nu afgedaan door de fiscus of door een beroepsgroep zelf, via het tuchtrecht. Door strenger te selecteren konden de zaken die ze wel konden doen, omvangrijker, ingewikkelder, technischer en internationaler zijn. Een zaak als Clickfonds – eind jaren negentig dé grote beursfraudezaak waarbij bekende handelaren werden opgepakt? Daar kijken ze inmiddels wat lachend op terug, zegt een teamleider.

Rechercheurs hebben een computer voor het zoeken in openbare bronnen en een voor de beveiligde onderzoeksgegevens. Die verwerken steeds grotere hoeveelheden data; anderhalve terabyte in een lopend onderzoek, vijf miljoen documenten. De systemen klapten er soms uit. Nu staat er sinds kort een nieuwe, twee keer zo zware, centrale computer in Apeldoorn („Alleen de FBI en wij hebben die”).

Bert Ooms en Remco Visser vertellen erover in het kantoor dat uitkijkt op station Sloterdijk in Amsterdam. Ooms werkte aan de Clickfondszaak en liet zich omscholen tot IT-Auditor aan de Vrije Universiteit. Visser deed de kijkcijferanalyses bij SBS6, werd financieel adviseur bij de Rabobank en nu is hij rechercheur.

De zaak rond Bouwfonds kostte 270.000 mandagen. Dat moest voortaan anders.

Visser: „Fraudeverdachten zijn vaak wat ouder. Ze doen extreem veel moeite om hun vermogen te verbergen, via een BV hier en een rekening en tussenpersoon daar. Maar dat doen ze nog altijd vanaf hun eigen computer, thuis.”

Ooms: „Ze kiezen voor gemak. Ze sms’en gewoon en versleutelen hun e-mails niet.”

Toch werd opsporing moeilijker. Sites zijn beter beveiligd. Telefoons kunnen alleen worden gekraakt als het wachtwoord erbij wordt geleverd. What’s App-gesprekken kunnen ze niet volgen. Rechercheurs maken er daarom zelf gebruik van. Bij doorzoekingen leren ze niet alleen naar ‘traditioneel geld’ maar ook naar digitale valuta als bitcoins te zoeken. Het beeld van FIOD-medewerkers die met archiefdozen en pc’s naar buiten lopen, gaat steeds minder op.

Gegevens staan in de cloud, bij een datawarehouse of een boekhoudleverancier. Ooms: „Of erger: niemand weet meer waar het op een server staat. De provider plaatst data waar de lijnen op dat moment het snelst zijn, of de stroom het goedkoopst. Digitale informatie is vloeibaar geworden en stroomt moeiteloos over de wereld.” Visser: „Als je bijvoorbeeld naar Ahold mailt, dan mail je naar ahold.nl, maar Google beheert die mail.”

En dus staat de computer van een verdachte met daarin de hele administratie soms voor hun neus, maar schrijft de wet voor dat ze eerst een rechtshulpverzoek opstellen om informatie die in een ander land is opgeslagen, op te vragen. Dat kost vaak maanden.

Daar komt bij dat de rechercheurs nooit zomaar over de allernieuwste technologie kunnen beschikken. Ambtelijke molens draaien nu eenmaal langzaam.

De FIOD werkt nu met opsporingsorganisaties in vijftien landen aan een systeem waarmee te zien is in welke landen iemand nog meer verdachte is. En de dienst hoopt op meer bevoegdheden: om undercover te kunnen werken, om anonieme telefoonnummers te achterhalen en om DNA veilig te stellen. De gesprekken daarover zijn gaande.

Voorlopig vallen de technologische ontwikkelingen nog in hun voordeel uit, zien Ooms en Visser. Maar fraudeverdachten zullen ooit jonger en handiger zijn. Daar bereiden ze zich op voor.

Bankgeheimen

Nu het bankgeheim in Zwitserland en Luxemburg kraakt, wijken belastingontduikers uit naar Singapore en Hongkong. Criminelen beschikken over miljoenen, gaan dag en nacht door en hebben vaak één probleem waarvoor ze een oplossing moeten vinden, „terwijl wij een wereld aan fraude en corruptie hebben op te lossen”, zegt Peter van Leusden. Hij doet al lang geen kleine belastingzaken meer. Hij is projectleider bij het Bijzondere Zakenteam in Amsterdam dat onder meer SBM Offshore, Ballast Nedam, de accountants van KPMG en het gesjoemel met de Liborrente bij de Rabobank onderzocht.

„Fraudeurs hebben steeds slimmere adviseurs. Die lopen altijd drie stappen op ons voor. Als de Britse Maagdeneilanden volgend jaar nieuwe wetgeving heeft, is er nu al een fiscalist die dat weet, terwijl wij net weten hoe het op de Kaaimaneilanden gaat.”

Maar waar criminelen internationaal de meest comfortabele wetgeving opzoeken, doet de FIOD dat ook. In een onderzoek met de Amerikanen konden die het makkelijkst infiltreren, terwijl Nederland wat coulanter bleek met telefoontaps.

Van Leusden gaat deel uitmaken van een centrum van de FIOD voor corruptiezaken. Corruptie is moeilijk te bestrijden, maar nog moeilijker is het om het te ontdekken. „Niemand heeft er belang bij corruptie te melden”, zegt hij. En dus moeten de rechercheurs erop uit, naar buiten.

Roadshow

De jaarvergadering van corruptiewaakhond Transparancy International. In de Kas Bank in Amsterdam is een gedistingeerd gezelschap bij elkaar. Een advocaat van een landelijk kantoor, een financieel directeur van een groot bedrijf, een voormalig bankier en tientallen andere leden die het bedrijfsleven kennen én kritisch volgen. Geen wonder dat twee medewerkers van het Team Criminele Inlichtingen van de FIOD juist hier komen vertellen wat ze zoal doen. Hun roadshow deed eerder banken, bedrijven, accountantskantoren, hackersbijeenkomsten en ambassades aan. „Ik begrijp dat sommigen van jullie de FIOD wel eens op bezoek hebben gehad”, zegt zij, Evelien Bremer. Een voorzichtig gelach. Ze laat zien wat voor bekende zaken de FIOD zoal deed.

Voor al deze zaken waren ze afhankelijk van tips, vertelt ze. „Mensen die iets horen, die weten dat er iets niet goed zit in hun bedrijf”. Er volgt een filmpje over hoe je zo’n misstand aan de kaak kan stellen en hoe niemand te weten hoeft te komen dát je dat deed. Nu klinkt protest. Er zitten veel advocaten in de zaal. Alsof ze niet allemaal die Luxemburgse zaak kennen waarbij het nog maar de vraag is of de tipgever anoniem kan blijven. „Nee díe tipgever meldde zich bij gewone rechercheurs”, legt ze geduldig uit. Zij en haar collega's van het TCI kunnen wel degelijk iemands identiteit afschermen. De laatste sheet toont hun beider 06-nummers. „Bravo”, zegt een man in het publiek.

De kamers van het Team Criminele Inlichtingen bevinden zich op het hoofdkantoor in Utrecht in de enige gang waar je met een pasje niet binnenloopt, je moet er aanbellen. Verder, richting uitgang passeer je de verhoorkamer. Er past een tafel in met vier stoelen en een grijze kast. Via een raampje kunnen rechercheurs met verhoren meekijken. Dan moeten ze wel half over de printer hangen in het kopieerhok ernaast.

Om kwart over zes doet de beveiliger zijn laatste ronde, zoals elke werkdag. Een kwartier later moet het gebouw leeg zijn. Dan sluit de beveiliger het hek. Medewerkers kunnen vanuit huis verder werken.