Column

Wij zijn het volk, wie bent u?

Donald Trump en Bernie Sanders in Amerika, de FPÖ in Oostenrijk, Marine Le Pen in Frankrijk, de overgebleven Kaczynski-broer in Polen, onze Geert wild-wilder-Wilders in Nederland – je kunt de krant niet openslaan of ‘populisten’ zijn in opmars. Is het niet bij verkiezingen, dan wel in de peilingen. Het etiket wordt te pas en te onpas gebruikt. Hoezo zijn er links- en rechtspopulisten? Is elke demagoog die vanuit de ‘onderbuik’ redeneert een populist? Hoe handhaven populisten hun establishmentkritiek zodra ze zelf aan de macht zijn? Zijn populisten hyperdemocraten of antidemocraten? Tijd voor wat begripsontwarring, vindt de Duitse denker Jan-Werner Müller (Princeton). Recent publiceerde hij Was ist Populismus?, een belangrijk essay dat geen dag te laat komt.

Vaak wordt gezegd dat populisten een nuttige rol vervullen als ‘democratische correctie’ op het politiek bestel. Ze laten de stem van het volk horen, de ‘zwijgende meerderheid’. Opkomende politieke bewegingen weten soms inderdaad noodzakelijke aandacht voor nieuwe of vergeten thema’s te wekken. En natuurlijk moet de elite soms hard worden tegengesproken, maar is het zinvol dat populistisch te noemen? In sociologische verklaringen, in ons land prominent uitgevent door sociaaldemocraten als René Cuperus of Paul Scheffer, zijn het de kiezers die de populist definiëren, de witte midden- en onderklasse die haar stem op Le Pen of Farage uitbrengt; in die visie vertolkt de populist de woede, het ressentiment en de angst van de ‘verliezers van de modernisering’. Het verklaart niet waarom miljardairs als Trump of Berlusconi tot helden van deze verliezers kunnen uitgroeien.

Müller verzet zich tegen zulke socio-psychologische duiding, die snel vergoeilijkend of paternalistisch wordt. Zijn scherpe kernthese: populisten zijn niet per se anti-elitair, want sommigen bereiken de macht, maar wel altijd antipluralistisch. Hij noemt hen ‘naar tendens zonder twijfel antidemocratisch’. In onze moderne vertegenwoordigende democratie is er geen natuurlijk, gegeven volk, maar beslist de stemuitslag wie het volk vertegenwoordigt. Dus is het democratische volk per definitie verdeeld. (Zodra de stembus 99 procent aan een Mubarak of Ceausescu geeft, weten we: dictatuur.) Populisten daarentegen doen volgens Müller allen dezelfde claim: ‘Wij – en alleen wij – vertegenwoordigen het volk.’ Dit is geen empirische maar een morele aanspraak, en dus moeilijk te weerleggen. Iedereen die anders denkt of handelt wordt als illegitiem gezien. Müller citeert de Turkse president Erdogan, die in 2014 op een partijcongres verklaarde: „Wij zijn het volk” en er richting zijn critici aan toevoegde: „Wie zijn jullie?”. Daarom hoeft het volk voor populisten ook helemaal niet mee te praten. De PVV, partij met als enige lid de blonde leider, is een schoolvoorbeeld. Wilders’ interne almacht is niet alleen een praktisch middel tegen organisatorische chaos (‘LPF-toestanden’), het toont hem ook als antidemocraat. Want als de leider weet wat het volk wil, waar heb je dan binnen de partij nog tegenspraak voor nodig?

Het weerwoord tegen de morele claim van de populisten het ware volk te vertegenwoordigen is te zeggen: ‘Ook wij zijn het volk.’ Duitse demonstranten plakten affiches met zulke leuzes naast die van Pegida, de Duitse anti-islambeweging. Populisme is altijd identiteitspolitiek, maar niet alle identiteitspolitiek is populistisch. Het tegengeluid kan niet alleen komen van feiten (‘Eén miljoen vluchtelingen is 0,2 procent van de Europese bevolking’). De democratische krachten moeten ook een verhaal vertellen over een wij; een wij in dialoog.