Dieren op sokkels zie je in hippe bars, vintage winkels en het museum. Hoe zet je een beest eigenlijk op? In het pas verbouwde lab van het Brusselse Museum voor Natuurwetenschappen laat taxidermist Christophe de Mey zien hoe secuur hij te werk gaat. “De huid van een dier aftrekken is alsof je een loeistrakke leren broek uitdoet, die niet mag scheuren.”

Dieren op sokkels zie je in hippe bars, vintage winkels en het museum. Hoe zet je een beest eigenlijk op? In het pas verbouwde lab van het Brusselse Museum voor Natuurwetenschappen laat taxidermist Christophe de Mey zien hoe secuur hij te werk gaat. De huid van een dier aftrekken is alsof je een loeistrakke leren broek uitdoet, die niet mag scheuren.

Als Christophe de Mey (38) aan een groot dier heeft gewerkt, vraagt hij aan het einde van de dag aan zijn collega of hij stinkt. De geur van het kadaver, die ondanks de witte jas in zijn kleding en ringbaardje trekt, ruikt de taxidermist zelf niet meer. Hij zegt het terwijl hij in de vriezer de tijger laat zien die hij volgend jaar gaat opzetten. Het grote beest ligt op zijn rug op de vloer, de poten in de lucht. Het lijf stijf, de bek open, de haren koud maar zacht. In januari vorig jaar kreeg het museum dit roofdier van de dierentuin in Antwerpen. Sindsdien ligt hij er zo bij. Om hem heen staan een kraanvogel en een hert, naast hem ligt een jaguar in een plastic zak. Op de planken van de stellingkast liggen kleinere dieren, een steenmarter bijvoorbeeld, zonder huid want die ligt nu in het looibad. De geur in de inloopvriezer is doordringend en onmiskenbaar het aroma van de dood. De Mey verheugt zich op 2017, dan mag hij het vel van de tijger trekken.

Door Carlijn Vis. Foto’s: Merlijn Doomernik. Vorm: Koen Smeets.

Taxidermie – de kunst van het opzetten van dieren – deed haar intrede in het begin van de zestiende eeuw. De term is afgeleid van de Griekse woorden taxis (verplaatsing) en derma (huid). Opzetten is een conserveringstechniek om een dood dier te behouden. De vorm van het lichaam blijft natuurgetrouw en het resultaat kan worden tentoongesteld of bestudeerd door wetenschappers.

In het begin was het ambacht nog niet veel verder dan het prepareren van een huid, vaak met alcohol, en deze volstoppen met turf of hooi. Voor de ogen werden kralen gebruikt. Door de eeuwen heen is de techniek verfijnd. Aan details als wimpers, snorharen, bijkleuren van de huid rondom de mond en het plaatsen van ogen wordt nu veel meer aandacht besteed. De keuze voor de ogen – het formaat, de kleuren en de grootte van de pupillen – is cruciaal voor het bereiken van een natuurgetrouw effect. Tegenwoordig kan een preparateur of taxidermist kiezen uit honderden soorten.

De afdeling taxidermie van het Museum voor Natuurwetenschappen in Brussel verhuisde in maart naar een nieuw, modern laboratorium. Het museum heeft een van de grootste collecties opgezette dieren van Europa. Voor taxidermie werd het monumentale tuinhuis verbouwd. De verbouwing duurde acht jaar, en nu heeft De Mey eindelijk de ruimte. In het lab gebruiken ze straks de nieuwste technieken om dieren op te zetten, zoals kunstlijfjes 3D printen.

In zijn blinkende werkruimte laat De Mey de verschillende stadia zien die hij voor het opzetten van een dier doorloopt. Maar eerst moeten we naar de opslag, daar staan twee dieren waar de taxidermist trots op is.

1. De Antwerpse dierentuin belt: er zijn twee okapi’s dood

In het depot van het museum wijst De Mey naar twee okapi’s, een bedreigde diersoort die in het wild alleen nog in de regenwouden van Congo leeft. Net als de tijger heeft het museum ze gekregen van de Zoo van Antwerpen, ruim tien jaar geleden.

We gaan terug naar de dag waarop de beesten in Brussel aankwamen.

In 2005 werd zijn collega gebeld door de dierentuin: er zijn twee okapi’s overleden, hebben jullie interesse? Jazeker, okapi’s waren nog niet te zien in het museum. Een okapi ziet eruit als een kruising tussen een giraf en een zebra. Hij is kastanjebruin tot chocoladebruin, heeft grote oren en kleine hoorntjes. Net als een giraf, waaraan hij verwant is, heeft hij een lange tong waarmee hij bij de bladeren van bomen kan. Hij is wel een stukje kleiner en heeft een kortere en dikkere nek. Volwassen okapi’s zijn zo’n twee meter lang en wegen tussen de 210 en de 250 kilo. Rond de buik en achterwerk gaat de bruine kleur over in zwart-wit: de poten zijn als die van een zebra. Deze strepentekening is voor elke okapi uniek.

De twee dode dieren worden met de bestelwagen van het museum opgehaald. Met een brancard tillen vier taxidermisten ze van de auto naar de vriezer. Twee weken later worden ze ontdooid. Het duurt drie dagen voor ze volledig op kamertemperatuur zijn. Daarna kan het villen – het vel scheiden van het vlees – beginnen. De Mey bestudeert de dieren. Waar is de huid onherstelbaar beschadigd? Waar komt straks de naad?

2. Strippen van het vel

Met een scherp mes maakt de taxidermist een snede in de buik. De huid snijdt hij voorzichtig los door met het mes langs de binnenkant van de buikwand te gaan. Een secuur werkje, want hij wil niet door de huid heen prikken. Na de buik werkt hij verder naar boven, naar de rug en de hals, en omlaag, naar de poten. Die laatste zijn het lastigst.

„Daarna is de huid van het beest aftrekken alsof je bij de okapi een loeistrakke leren broek uitdoet, die niet mag scheuren.”

De losse huid wordt schoongeschrobd, het vuil en bloed moet uit de vacht. Dan naar de looierij, waar de huid wordt bewerkt. Essentieel, want de haren mogen straks niet uitvallen als het beest in het museum staat.

3. Looien

Kleine zoogdieren en vogels looit De Mey zelf in een bak in een aparte ruimte in het lab, maar grote dieren gaan naar een gespecialiseerd bedrijf. Zo ook de okapi’s.

Voor het looien wordt vaak een mengsel van water en zout gebruikt, maar een combinatie van water, formol en mierenzuur is ook mogelijk. Elke taxidermist heeft zijn eigen methode, zegt De Mey, en net als chefkoks willen sommigen hun recept niet delen.
De okapi’s worden „zacht gelooid”: het totale proces duurt drie maanden.

Na een paar weken looibad worden de huiden op een raamwerk gespannen om te drogen. Het drogen gebeurt bij voorkeur langzaam – de looistoffen moeten in de huid en tussen de haren opdrogen, dat bevordert de houdbaarheid.

4. Kunstlijfje maken

In de tussentijd maken De Mey en zijn collega’s de ‘kunstbody’s’. Een lijf – waar straks de huid omheen wordt gespannen – is ook te koop, maar De Mey maakt ze liever zelf. Dit artistieke deel van zijn vak – het passen en meten, het opschuren, het sculpturen – doet hij graag. De afwisseling met het snijden bevalt hem. Bovendien zijn de lijfjes duur, zegt hij.

Samen met zijn collega’s gaat hij op excursie naar de dierentuin om andere okapi’s te bekijken. Ze zien een okapi reiken naar het blad van de boom, de nek is uitgestrekt, zijn tong zo lang mogelijk en met een mooie krul op het eind. In deze pose gaan we het vrouwtje opzetten, besluit het team. In de toonzaal zullen ze een tak met bladeren ophangen, precies zoals ze het in de dierentuin zagen. Voor de tong en de schedel maken ze een afgietsel van het origineel. De tong wordt nagemaakt van siliconen en diep donkerpaars geschilderd.

Een houtconstructie vormt de basis van het lijf. Toen ze de vriezer uitkwamen, heeft De Mey de okapi’s rondom opgemeten en foto’s gemaakt. Op internet en in wetenschappelijke boeken bestudeert hij hoe de beesten leven en bewegen.

Om de houtconstructie komt een vorm van polyurethaanschuim. Om de vorm te maken legt De Mey het dier – het vlees dat overblijft als de huid eraf is – op zijn linkerzij en giet er gips overheen. Als het mengsel hard is geworden draait hij het dier om en maakt zo ook een mal van zijn linkerhelft. De twee gipsdelen bevestigt hij aan elkaar. Gaatje maken en dan piepschuim erin spuiten. Als dat na ongeveer een week droog is, heb je het lichaam – „de body” – van piepschuim. Het sculpturen kan beginnen. Met schuurpapier wordt de vorm hier en daar aangepast.

5. Ogen uitkiezen en de huid spannen

Als de huiden terugkomen van de looierij worden ze over het lijfje gespannen en vastgelijmd. Op het bureau liggen foto’s ter inspiratie, als voorbeeld voor het reconstrueren van de plooien. Dat moet in één keer goed, want „eens geplakt, altijd geplakt. Het dier staat de rest van zijn leven in deze positie”.

Vóór het spannen moeten de ogen worden gekozen, want die gaan onder het vel. Ogen bestelt De Mey het liefst bij een Duitse firma gespecialiseerd in namaak-ogen van zoogdieren. Voordat hij de bestelling plaatst, kijkt hij opnieuw naar foto’s. Had ze grote pupillen of kleine? Als je een beest in een positie van opwinding gaat tonen, moet je daar met de ogen rekening mee houden, zegt De Mey. „Als een dier een prooi gaat aanvallen, zijn de pupillen groter dan in rustpositie.” De ogen worden in het piepschuim gestoken.

Het spannen van het vel is in een paar uur gebeurd, het aan elkaar naaien van het vel bij de buik en de poten duurt „een eeuwigheid”: zeker een paar dagen. Het naaiwerk doet het team van De Mey om beurten, de een kan 45 minuten achter elkaar werken, de ander anderhalf uur. Op een gegeven moment krijg je kramp in je vingers.

6. Corrigeren

Tijdens het drogen vinden er elke dag kleine correcties plaats. Priegelwerk. Haartjes die rechtgezet worden, plooien bijgesteld, wimpers aangezet. De Mey schildert de kleur rond de ogen; door het looien is de huid daar ietwat verkleurd. Ook het gebied rond de lippen krijgt extra aandacht en de hoeven worden bijgekleurd. Als een dier snorharen heeft, worden deze vaak pas op het laatst teruggeplaatst.

7. Naar de toonzaal

In de toonzaal van het museum komt naast het vrouwtje een tak te hangen, waarvan zij met haar tong een blaadje probeert te pakken, zoals De Mey in de dierentuin had gezien.

Tijdens hun leven werden de okapi’s in de Zoo door duizenden kinderen bekeken. Nu, op hun sokkel, worden ze opnieuw bewonderd door de honderden schoolklassen en andere mensen die het museum bezoeken.

Hebben de okapi’s nu het eeuwige leven? Mogelijk, al hebben ze nu andere rivalen dan in het wild. De grootste vijand is de museumkever. Als die de huid aantast, is er vaak niets meer aan te doen. Ook de mensen kunnen voor schade zorgen: De Mey moet meerdere keren per jaar de penis van een van de gorilla’s vastlijmen. „We gaan binnenkort de afstand tot de dieren opnieuw bepalen.”

Vandaag, tien jaar later, staan de okapi’s in het depot.

Het is er warm, stoffig en muf. Geen plastic over de beesten, alleen een label om poot of vleugel. Dit jaar zet de afdeling taxidermie geen dieren op, het hele jaar is gereserveerd voor restauratiewerkzaamheden: alle beesten uit het museum krijgen een opknapbeurt voor de nieuwe tentoonstelling die in 2018 van start gaat.

Zodra ze aan de beurt zijn, worden ze verplaatst naar het ‘tuinhuis’, het state-of-the-art lab, een enorm contrast met het donkere depot. De ruimte is licht, wit, en goed georganiseerd. De gereedschappen (schaartjes, tangetjes, pincetten, kwastjes) blinken, verf in alle kleuren staat op een plank en er is een lade met ogen in verschillende kleuren en formaten.

In het najaar komt de 3D-printer: dan kan De Mey kunstlijfjes gaan printen. Dat is de toekomst, zegt hij. Dat je foto’s maakt van het dier als het binnenkomt, de afmetingen invoert in de computer en dan het lijfje uit de 3D-printer laat rollen. De huid zal dan precies passen, misschien is zelfs het schaven aan de mal verleden tijd.

De okapi’s worden volgend jaar weer tentoongesteld. „De museumzalen tonen maar een fractie van de collectie van het instituut. We hebben naar schatting 37 miljoen specimens in onze bewaarzalen, waarvan meer dan 15 miljoen insecten, 10.000 schelpen en 100.000 diersoorten. Schatten als de Iguanodons van Bernissart, de Spy neanderthalers en de Tasmaanse buidelwolf zijn uniek in de wereld”, zegt De Mey.

Er blijven beesten binnenkomen. Van dierentuinen, dierenrevalidatiecentra of privépersonen die bijvoorbeeld een beest vinden langs de weg. Het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, waar het museum toebehoort, neemt veel aan. Lang niet alles wordt opgezet voor het museum; het instituut bewaart ook dieren voor onderzoek. „Soms zijn wetenschappers bijvoorbeeld op zoek naar een paar dieren van een bepaald specimen. Als wij die in ons archief hebben, kunnen ze die bestuderen.”

Toch werkt De Mey het liefst aan dieren die in het museum terechtkomen. Daar worden ze gezien, daar kunnen ze opnieuw stralen. „Ik geef de dieren een tweede leven.”