Column

Vergeten, toch mooi (4)

Het oeuvre van de dichter Bergman (pseudoniem voor Aart Kok, 1921-2009) is vrijwel vergeten, afgezien van steeds dezelfde gedichten, zoals die onder anderen door Gerrit Komrij gebloemleesd zijn. Ik bezit zijn debuut, Modus Vivendi, in de serie De Windroos uit 1950. Jonge dichters kregen daarin hun eerste kans. Bergman, opgegroeid in het Rotterdamse Kralingen waar zijn ouders een winkel hadden, werd na de Tweede Wereldoorlog leraar in Den Haag. Hij had weinig binding met de literaire wereld en kreeg zijn poëzie op den duur maar moeilijk uitgegeven. Wel publiceerde hij nog in de serie Privé-domein dagboekfragmenten: De tijd te lijf. In de bloemlezingen staan vooral zijn laconieke, ironische gedichten afgedrukt, maar in Modus Vivendi laat hij zich ook van een ernstiger kant zien, zoals in Nocturne No. 1000.

er drijft een witte wolk verlaten

stuurloos als een halfdode vis;

die pose zal haar weinig baten,

reeds domineert de duisternis.

mensen in allerlei formaten

stevenen onversaagd naar huis;

met mijn persoon valt niet te praten,

’k ben overal en nergens thuis.

weldra zullen lantaarns ontluiken

tot in de diepst versufte laan;

ik drink hun heil en sla de kruiken

aan stukken op de rand der maan.

de enkelen die nog passeren

kijken, een glimlach op ’t gelaat;

hun deernis kan mij niet meer deren,

voor zelfbeklag is het te laat.

maar nu de laatste stap verklonk en

ik moe over de leuning hang

schud ik het hoofd en zeg slaapdronken:

mijn God, ik ben zo bang, zo bang…

In Schoonmaak slaat Bergman een ironischer toon aan, al blijft hij ontzag houden voor God.

dit Avondland laat God volkomen koud,

ik kan het hem beslist niet kwalijk nemen;

wij kunnen, als men ’t redelijk beschouwt,

niet meer dan wat bedroefd en lyrisch temen.

wij zijn als schepen zonder roer en boeg

en hebben heus niets om ons mee te flemen;

misschien zijn wij nog net geschikt genoeg

om in zijn huis de spiegelkast te zemen.

In de reeks Kortsluitingen wendt hij zich rechtstreeks tot God.

vandaag, zei ik tot God, heb ik geen tijd

en morgen zal het wel niet anders zijn,

ja, voorts vraag ik u steeds beleefd respijt,

ook weet ik graag de uiterste termijn.