Tussen vrolijkheid en somberte

Twee weken geleden trad Valery Gergiev nog op in Palmyra, in het historische amfitheater waar IS tegenstanders van de terreurbeweging had onthoofd. De maestro sprak van een beroep op de mensheid voor wereldvrede, critici schaarden het evenement onder Russische overheidspropaganda.

Donderdagavond bestond Gergievs decor niet uit eeuwenoude Korinthische zuilen, maar uit de laatnegentiende-eeuwse wandpilasters van het Concertgebouw, waar hij het KCO dirigeerde.

Het begon met het Vioolconcert van Beethoven met Nikolaj Znaider. Bij het orkest was alles mooi afgewerkt, al verlangde je soms naar wat meer middenstemmen. Znaider kwam pas los na een razend knap gespeelde cadenza (van Fritz Kreisler). Met Prokofjevs Zesde symfonie haalde Gergiev de oorlog naar Amsterdam. Het stuk (1947) is een elegie waarin Prokofjev de onheelbare wonden van de Tweede Wereldoorlog aanstipt. Daarvoor gebruikt hij een overweldigend klankkleurenpalet.

Met veel vrijheid in zijn handgebaren toonde Gergiev de rijkdom van de textuur. Soms vragen de noten om ‘lelijk’ spel, en dat is aan het Concertgebouworkest minder besteed, maar als geheel was de uitvoering overrompelend, met een treffend breekpunt wanneer de harp en celesta samen speelden. Geniaal hoe de dubbelzinnigheid in het slotdeel werd uitgewerkt: het was tussen vrolijkheid en somberte, als een pijnstiller die niet aansloeg. Het programma met het KCO is een voorschot op zijn eigen Gergiev Festival in september: dat staat geheel in het teken van Prokofjev.