‘Terreurkennis lekte weg in tijden van verminderde dreiging’

Sinds 2013 herstelt het interventievermogen zich weer, maar ondervinden partners wel hinder van weggelekte kennis, contacten en capaciteit.

Een agent met een mitrailleur bij het Scheepvaartmuseum begin dit jaar, waar de informele Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ) Raad gehouden werd. Foto Remko de Waal / ANP

De kennis over terrorisme was voor een deel weggelekt bij lokale en landelijke spelers toen in 2013 de terreurdreiging in Nederland reëler werd. Dat concluderen onderzoekers van de Universiteit Utrecht in het evaluatierapport Gericht, gedragen en geborgd interventievermogen? Evaluatie van de nationale contraterrorisme-strategie 2011-2015, in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

In tijden van verminderde terreurdreiging dreven terrorismebestrijdende partijen zoals het Openbaar Ministerie, de politie en inlichtingendienst AIVD van elkaar weg. Ook lukte het landelijke partners niet de kennis, contacten en menskracht op peil te houden en verminderde de capaciteit van lokale partners drastisch. Sinds het toenemen van de dreiging na 2013 herstelt het interventievermogen zich, maar hebben partners wel last van weggelekte kennis, contacten en capaciteit, volgens het onderzoek.

Dreigingsniveau naar ‘beperkt’

Na de aanslagen in het binnen- en buitenland aan het begin van de eenentwintigste eeuw, zoals die in de VS (2001) en Madrid (2004) en de moorden op Pim Fortuyn (2002) en Theo van Gogh (2004), voerde Nederland nieuwe antiterrorismemaatregelen in. Nederland werd aangemerkt als potentieel doelwit door jihadistische groepen in het buitenland, onder meer door deelname aan de militaire missies in Afghanistan en Irak en door de productie van de film Fitna.

In 2009 paste de NCTV het dreigingsniveau aan van ‘substantieel’ naar ‘beperkt’, waar het drieënhalf jaar op zou blijven staan. In die periode kreeg de contraterrorisme-strategie tussen 2011 en 2015 vorm. Toen in 2013 de dreiging weer groeide door uitreizende jihadgangers en aanslagen in Europa moesten kennis, contacten en capaciteit weer worden opgebouwd.

Sociaalgerichte partners

De onderzoekers concluderen dat de “gezamenlijke doelgerichtheid en legitimiteit” na 2011 eerst is afgenomen en laken het gebrek aan betrokkenheid van sociaal gerichte partners in het contraterrorisme-beleid. Het ministerie van OCW, bijvoorbeeld, was tot 2013 geen lid van het Gezamenlijk Comité Terrorismebestrijding, waarin de landelijke partners hun beleid afstemmen.

De onderzoekers waarschuwen voor een herhaling. Ze vragen zich af of de capaciteit niet weer zal afnemen als de politieke aandacht verslapt:

“Wanneer de dreiging in de komende jaren afneemt, is het niet ondenkbaar dat er weer minder geld, tijd en kennis beschikbaar zal zijn voor het contraterrorisme-beleid. Bij een nieuwe dreiging zal Nederland dan weer dezelfde dure lessen moeten doorlopen die nu zijn opgedaan.”

Voor de zomer zal de strategie 2016-2020 naar de Tweede Kamer gestuurd worden. Daarin zal volgens de onderzoekers onderscheid gemaakt moeten worden tussen de maatregelen die vaststaan om het interventievermogen van Nederland op peil te houden en maatregelen die meebewegen om ook flexibel te blijven.