Stiefmoeder gaat als eerste de vrieskist in

Een rijkaard financiert een project om lichamen in te vriezen voor een technologisch voorspoedig hiernamaals. Dat brengt DeLillo in een flow van alledaagse observaties en apocalyptische visioenen.

Actrice Sigourney Weaver in de film Alien 3 (1992) Foto © 20th Century Fox

Is de dood te overwinnen, is het eeuwige leven een denkbare, maar ook wenselijke optie? Dat de voortschrijdende medische wetenschap en technologie het mogelijk maken het leven te verlengen is een ontwikkeling die al geruime tijd gaande is en die in de laatste jaren, met opvallend veel financiële steun vanuit Silicon Valley, wordt voortgezet. Maar het bijna ondenkbare, het oneindig oprekken van dat leven, is dat iets dat tot voorbij de science fiction gezien kan worden? In Don DeLillo’s nieuwste roman Zero K. is het een reële mogelijkheid, zij het dat in afwachting van de voltooiing van het onderzoek daartoe de lichamen, of delen ervan, worden ingevroren, ‘cyrogene suspensie’.

In het eerste deel van de roman wordt verteller Jeffrey op schimmige, omslachtige wijze naar een complex ergens in Centraal-Azië gevoerd, dat ‘de Convergentie’ wordt genoemd. Zijn vader, de megarijke Ross Lockhart, is een van de financiers van het project dat daar wordt uitgevoerd. In afwachting van de wetenschappelijke vorderingen worden daar de lichamen geprepareerd van hen die geloven in een hiernamaals in technologische zin – een van de raakpunten van wetenschap en religie waar DeLillo (1936) op diverse punten aan refereert. Een van de cliënten is Artis, Ross’ tweede vrouw en stiefmoeder van de verteller.

Jeffrey is een allesbehalve kritiekloze bezoeker van zijn vaders project – en van de voorbereiding voor het invriezen van zijn stiefmoeder. Hun verhouding is gematigd empathisch, een gevolg van het feit dat vader hem en zijn moeder verliet en nooit meer iets liet horen terwijl hij zijn fortuin opbouwde. Later in het boek haalt hij herinneringen op aan de sterfdag van zijn moeder. Waar was ik toen, vraagt Ross. Ik zag je die week op de omslag van Newsweek, zegt zijn zoon. Jeffrey krijgt van de auteur spaarzame contouren – maar de invulling van een persoonlijkheid is nooit een van de meest urgente en beste karakteristieken van DeLillo’s schrijverschap geweest. Jeffrey is maar nauwelijks geïnteresseerd in het erfgenaamschap, hij lijkt weinig na te streven in het leven, en heeft een neiging tot dwangmatig handelen, in alledaagse bezigheden maar ook in het willen benoemen en definiëren van zaken en personen.

Het complex van zijn vader is een bijna buitenaards gesitueerd labyrint van gangen op verschillende verdiepingen waarin DeLillo zijn hoofdpersoon (te) lang laat ronddwalen en hem confronteert met omlaag zakkende panelen waarop apocalyptische taferelen geprojecteerd worden, van overstromingen tot massa-executies. Schrikbeelden die, zo lijkt het, moeten motiveren tot het ingevroren wachten op een betere wereld en die herinneren aan soortgelijke scènes uit DeLillo’s vorige boeken, waarin dikwijls de suggestie dat massa’s de toekomst beheersen, een van de thema’s was. Tweedimensionale personages duiken op, als werknemers in de Convergentie, onder wie een duo moralistische, futuristische stand-up comedians, die de beleggers in dit project moeten motiveren om de aanstaande rampen van de wereld af te wenden.

DeLillo heeft het boek in drie delen opgezet. Na het bezoek van Jeffrey en zijn vader aan de Convergentie volgt een kort deel waarin de status van het halfbevroren bewustzijn van stiefmoeder Artis intrigerend wordt vormgegeven. Er volgt een fast forward naar twee jaar later, waar we de hoofdpersoon aantreffen in zijn huidige bestaan, als afstandelijke beschouwer van hedendaags Manhattan. Hij heeft een minnares, met een geadopteerde zoon die een ongewilde rol zal spelen in de ontknoping van het boek. En hij heeft nog steeds de vader, die hem de morele opgave opdringt om terug te keren naar de Convergentie wanneer hij, na aarzeling, Jeffrey’s stiefmoeder zal volgen in het door hem gefinancierde project.

Klinkt dit allemaal erg heftig en ongestructureerd? Dan is dat maar deels te wijten aan de ruimte die een recensent heeft. Het boek lijdt aan een euvel dat me bij enkele van DeLillo’s vroegere boeken al stoorde: te weinig regie. De juxtapositie van de scènes, tussen Jeffrey’s huidige Manhattan en de alledaagse observaties van die stad, en de apocalyptische, opdringerige visioenen: DeLillo wil van alles suggereren mits je maar meegaat in zijn flow. Ook de motivatie van Ross om eerst wel, dan niet, en twee jaren later weer wel ‘de weg van Artis’ te gaan, en ook zichzelf te laten invriezen in het volle geloof in zijn project, is onbevredigend gemotiveerd. Die twee jaar durende aarzeling kan uitgelegd worden als een methodologische ingreep om het leven van Jeffrey (tenslotte zijn twijfelende, contemporaine hoofdpersoon) vorm te geven, maar die ingreep levert wel enkele van de boeiendste scènes op. Nulpunt mag dan niet optimaal geslaagd zijn, het is toch een boek dat vragen oproept, discussie genereert én een aanvulling is op een belangrijk oeuvre.