Steeds woestere oe-klank

Alles is wit: het achterdoek, de gigantische plasticzakken vol troep die aan het plafond bungelen, de shirts van de musici van Nieuw Amsterdams Peil. Een middelbare vrouw in een soepjurk scharrelt rond door dat gestileerde landschap. Haar moeizaam klimmende, steeds woestere oe-klank piekt op het moment dat ze een oude koffer uit zo’n zak rukt. In die koffer zitten babykleertjes.

Rob Zuidams Uwe leipe mastdramnis heeft, net als eerdere opera’s, een statische setting en een vrouwelijke eenzaat als protagonist. Maar de gebruikelijke intense vocale expressiviteit blijft aanvankelijk uit. Er is amper taal, weinig melodie, en de mezzo van Gerrie de Vries heeft aan kracht ingeboet.

Halverwege legt een gesproken monoloog de voorstelling stil. Dat is een gewaagde keuze, die werkt dankzij De Vries’ overtuigende, naturelle spel. Ze vertelt over Louise, die verliefd werd op jazztrompettist Charles, een dochter van hem kreeg, die dochter verloor. De monoloog vertoont haperingen en wordt steeds vaker onderbroken door gekreun of geschreeuw, alsof Louise en de verwarde vrouw over elkaar heen worden geschoven.

De Vries’ rol is een tour de force van lichamelijke, haast dierlijke aanwezigheid. Ze schrokt magnetronspaghetti terwijl ze wartaal uitbraakt en doucht onder een straaltje uit een van de vuilniszakken. Het contrast met de fonkelende noten van NAP is enorm en creëert een ongewone theatrale spanning. De perfect getimede speeldoosmuziek aan het slot, gevolgd door ritueel muzikantengeneurie, tilt alles op: betoverend.