Schipperen tussen recht en historie

Deze historicus werd vooral bekend door zijn biografieën over het koningshuis. In zijn autobiografie ontkent hij met klem een gemuilkorfde ‘hofbiograaf’ te zijn geweest.

Cees Fasseur, begin 1987, in het Arsenaalgebouw in Leiden Foto uitgeverij Balans

Het was een duivels dilemma waarvoor Cees Fasseur zich geplaatst zag. De Leidse historicus was in de zomer van 1992 te gast bij koningin Beatrix op Huis ten Bosch. De vorstin had hem zojuist gevraagd wat hij wilde drinken, en Fasseur woog de opties af. Als hij wijn bestelde – waar zijn voorkeur naar uitging – en het staatshoofd koos voor thee, dan zou dat ‘een duidelijke afstraffing van mijn alcoholische gretigheid’ zijn. Maar als hij uit prudentie om thee vroeg en Beatrix koos voor een glaasje wit, dan zat hij daar met zijn flauwe versnapering. ‘Als een volleerde hoveling’ redde Fasseur zich uit zijn netelig pakket door te antwoorden: ‘Majesteit, ik volg uw keuze’. Het werd wijn – en niet één, maar drie glazen.

Toen Fasseur ‘iets wankelender ter been’ dan toen hij gekomen was drie uur later het paleis verliet, had zijn loopbaan een opvallende wending genomen. Hij zou de biografie gaan schrijven van koningin Wilhelmina, Beatrix’ grootmoeder. Fasseur, die in maart j.l. onverwacht overleed als gevolg van complicaties bij een operatie, beschrijft het voorval in zijn autobiografie Dubbelspoor, die hij kort voor zijn dood afrondde. Zijn werkzame leven had zich tot dan afgespeeld op het ministerie van Justitie en aan de Leidse universiteit. Nu hij de biograaf werd van de oorlogskoningin, zou hij bij een breder publiek bekend worden.

Jappenkamp

Cornelis Fasseur werd geboren in 1938 in Balikpapan, op Borneo (Kalimantan), waar zijn vader voor de Bataafse Petroleum Maatschappij werkte. Nadat de Japanners in 1942 Nederlands-Indië hadden veroverd, werd de jonge Cees samen met zijn moeder en zusje geïnterneerd in een jappenkamp.

Zijn vader verbleef elders en overleefde net als de rest van het gezin de internering. Een trauma hield Fasseur niet over aan zijn kamptijd, schrijft hij. ‘Of is misschien een zekere verlatingsangst een erfenis van die tijd? En een sterk ontwikkeld aanpassingsvermogen? De wens goede vriendjes te blijven met je omgeving? Een bepaalde overlevingsdrift? Een selectief geheugen dat nare situaties, later mijn eigen misstappen en ontactische uitlatingen, gemakkelijker doet vergeten?’

Na de repatriëring volgden aan de Leidse universiteit de studies geschiedenis en rechten. De rest van zijn leven zou Fasseur twee paden bewandelen: aan de hand van Clio, de muze van de geschiedenis, en aan die van Themis, de godin van het recht.

Fasseur begon na de afronding van zijn studies aan een ambtelijke loopbaan bij het ministerie van Justitie. Hij schreef mee aan talrijke wetten en was de auteur van de in 1969 verschenen Excessennota, over de wandaden van Nederlandse militairen bij de dekolonisatieoorlogen in Indonesië. Het ministerie was in deze periode een verzamelplaats van tamelijk kleurrijke figuren, als we Fasseur mogen geloven, maar hij besloot in 1986 toch terug te keren naar zijn alma mater om er als hoogleraar de geschiedenis van Nederlands-Indië te onderwijzen.

Landelijke bekendheid kreeg hij niet met de studies over de Indische ambtenarij die hij schreef, maar met de boeken over het koningshuis – de tweedelige biografie van Wilhelmina en het boek over de huwelijkscrisis van Juliana en Bernhard – die hij aan het eind en vlak na zijn academische loopbaan publiceerde. Fasseur verweert zich in Dubbelspoor nog eens met kracht tegen de verwijten dat hij een gemuilkorfde ‘hofbiograaf’ was. Na zijn emeritaat volgde een periode als raadsheer bij het hof in Amsterdam: de zwaarste baan uit zijn leven, aldus de auteur.

Dubbelspoor biedt op elk van deze werkkringen een interessant perspectief. Nederland kent geen grote traditie als het gaat om het schrijven van memoires door dienaren van de publieke zaak. Daarom is dit boek niet alleen lezenswaardig voor wie zelf heeft gewerkt op de Leidse universiteit of het ministerie van Justitie. Fasseur zat dicht genoeg op de actualiteit – of was zelf onderdeel van het nieuws als er gepolemiseerd werd over koningshuis of het Nederlandse koloniale verleden – om een breed publiek te kunnen boeien.

Bestraffende woorden

Zoals dat hoort in een autobiografie zijn er lovende en bestraffende woorden voor mensen die in de loop der jaren het pad van de hoofdpersoon kruisten. Fasseur spreekt met warmte over collega-historici als Ivo Schöffer en Henk Wesseling. Streng, op een soms wat neerbuigende manier, is hij onder meer voor de ‘tamelijk middelmatige schrijver’ Christiaan Weijts, die iets lelijks had geschreven over de door Fasseur bewonderde Multatuli. Ook de niet met name genoemde David Barnouw, de gewezen voorlichter van het NIOD, krijgt een tik. Over hem merkt Fasseur fijntjes op dat hij ondanks al zijn commentaar op het wetenschappelijk werk van anderen zelf nooit is gepromoveerd.

Over zijn vertrek bij de universiteit in 2001 was Fasseur niet rouwig. De huidige generatie geschiedswetenschappers is vooral bezig met publiceren in Engelstalige vaktijdschriften, verzucht hij. ‘Voor hen heeft, al dan niet noodgedwongen, de moedertaal afgedaan om daarin over het vaderlandse verleden te spreken en te schrijven. Het gevolg is dat het rijk van Clio hier te lande nu grotendeels is overgelaten aan vlot schrijvende, niet altijd erg deskundige of nauwkeurige, (oud)-journalisten en andere amateurhistorici, die bij voorkeur in de tegenwoordige tijd en in een wat hikkende stijl, zoals een krant dat gewoon is te doen, hun verhalen neerpennen.’

Of Fasseur daarmee het werk van dit soort auteurs recht doet, is twijfelachtig. Maar het is een feit dat de generatie universitaire historici die ook van zich liet horen in Nederlandstalige boeken voor een breed publiek, van het toneel aan het verdwijnen is. Cees Fasseur laat met deze postuum verschenen memoires nog maar eens zien waarom dat zo jammer is.