‘Nederland zaagt aan interne markt’

De Nederlandse lobby in Brussel om bedrijven meer arbitragemogelijkheden te geven, valt niet goed. „Er moet één rechtsstelsel zijn.”

„Te zot voor woorden”, noemt Harm Schepel het Nederlandse plan om voor bedrijven in de EU een apart systeem van investeringsbescherming op te tuigen. „Daarmee schuif je het interne-markt-recht gewoon opzij”, zegt de hoogleraar economisch recht aan Kent University. De Europese Commissie, bewaker van EU-verdragen, „kan en mag het daar nooit mee eens zijn”.

Woensdag bleek uit een gelekte notitie dat Nederland zich samen met vier EU-landen sterk maakt voor zo’n systeem. Europese bedrijven zouden daarmee, buiten de gewone rechtsgang om, arbitragezaken kunnen aanspannen als ze schade oplopen door overheidsbeleid. Zulke extra bescherming zit standaard in handelsverdragen, zoals de EU die onlangs sloot met Canada en wil sluiten met de VS (TTIP). In Europa zelf is dat overbodig: EU-verdragen bieden al bescherming.

Potentiële bron van conflicten

Maar Nederland, Duitsland, Frankrijk, Finland en Oostenrijk – een flinke coalitie – zien dat anders: zij vinden het oneerlijk dat Amerikanen en Canadezen straks wel toegang hebben tot snelle arbitrage, terwijl Europese bedrijven door het reguliere rechtsstelsel moeten. Zij moeten dezelfde rechten krijgen. Nou ja, niet allemaal: de arbitrage is voor EU-bedrijven die elders in de EU zakendoen. Wie binnen de landsgrenzen opereert, blijft aangewezen op de lokale rechter.

Best ingewikkeld, kortom, en volgens Schepel een potentiële bron van juridische conflicten. Kamerlid Jasper van Dijk (SP) vindt ‘discriminatie bestrijden met nieuwe discriminatie’ ook heel „krom”. „Wat ons betreft stoppen we gewoon met deze exclusieve rechtbanken voor bedrijven.”

In Kamervragen aan minister Ploumen (Buitenlandse Handel) pleit hij met een knipoog voor „private arbitrage voor iedereen, zodat ook burgers de rechter kunnen passeren”.

Investor-State-Dispute-Settlement (ISDS) heeft een slechte naam, door de soms intimiderende miljardenclaims tegen staten. De Commissie kwam in 2015 met een hervormde versie, op aandringen van onder meer Nederland. Ploumens ministerie benadrukt in een reactie dat het dit Investment Court System (ICS) is wat het in gedachten heeft voor heel Europa. „Nederland heeft zich als een van de eerste EU-lidstaten verzet tegen ISDS en heeft heel hard gewerkt aan een nieuw model van investeringsbescherming, dat eerlijker en transparanter is en de beleidsvrijheid van de overheid respecteert. Dat is nu de nieuwe standaard.”

Achter gesloten deuren

Hoogleraar Schepel vindt ICS zeker „een grote procedurele verbetering”. In het oude systeem wordt gevonnist achter gesloten deuren en zijn arbiters geen professionele rechters maar ad hoc gekozen advocaten, soms met banden met het bedrijfsleven. „Dat wordt nu anders, maar ook ICS verandert niets aan de substantie, namelijk dat je investeerders nog steeds het recht geeft om nationale rechtssystemen te omzeilen.”

Dat laatste kan nu vaak ook al: in de jaren negentig sloten lidstaten handelsverdragen, inclusief ISDS, met landen in Oost-Europa die geen EU-lid waren maar dat nu wel zijn. Weg daarmee, zegt de Commissie nu. „Ze zijn niet verenigbaar met EU-wetgeving, creëren juridische onzekerheid door de overlap met EU-regels en moeten zo snel mogelijk worden beëindigd.” Nederland is daartoe bereid, als de investeringsbescherming uit die verdragen wordt behouden en uitgebreid naar héél de EU.

Waarom willen landen als Nederland en Duitsland dat? „Volgens mij is de enig mogelijke conclusie dat ze de Oost-Europese rechtspraak en wellicht ook de Zuid-Europese niet vertrouwen”, zegt Europarlementariër Bas Eickhout (GroenLinks). „Maar dat zullen ze nooit zo zeggen.”

Ook Schepel spreekt van een wantrouwen van „kern-Europa” richting „perifere landen”. Dat is versterkt door de eurocrisis, die een kloof sloeg tussen noord en zuid, maar ook door recente ontwikkelingen in Polen, waar onafhankelijke rechters onder vuur liggen.

Ploumens ministerie zet inderdaad vraagtekens bij de rechtsbescherming die de interne markt biedt. „Hoewel alle lidstaten deel uitmaken van de EU-rechtsorde wordt het EU-recht niet altijd goed toegepast of ten uitvoer gelegd.” Slowakije wordt als voorbeeld gegeven. De perceptie van de rechtsstaat daar is volgens gegevens van de Commissie zelf niet alleen laag, maar in de afgelopen jaren „zelfs nog verslechterd”.

Eickhout ontkent niet dat er problemen zijn, maar volgens hem los je die niet op door (sommige) bedrijven meer macht te geven. „Er moet gewoon één rechtsstelsel zijn dat voor alles en iedereen geldt in de EU.”

In Oost-Europese ogen zijn het overigens West-Europese landen die de rechtsorde niet respecteren door vast te houden aan verdragen die al talrijke keren ongeldig zijn verklaard. Volgens ingewijden is er in die groep landen, die de afgelopen jaren veel arbitragezaken op zich af heeft zien komen, dan ook groot verzet tegen de Nederlandse plannen.