Wiskundemeisje is nu hoogleraar

Ionica Smeets Ze vindt zichzelf beslist niet de beste wiskundige. „Maar ik kan het misschien wel het beste uitleggen”, zegt Ionica Smeets.

Foto Andreas Terlaak

Ionica Smeets in toga. “Een prettig uniform.” Foto Andreas Terlaak

De bekendste wiskundige van Nederland is hoogleraar geworden – niet in de wiskunde, maar in de wetenschapscommunicatie, aan de Universiteit Leiden. En dus hield Ionica Smeets (1979) afgelopen vrijdag haar oratie, in toga.

Toen ze, voorafgaand aan die rede dat donkere gewaad nog niet aan had, sprak iemand haar aan in het academiegebouw. „Jij bent met de fotograaf meegekomen?” „Nee”, moest Smeets uitleggen, „ik ben dus de hoogleraar die dadelijk oreert”.

Zo’n toga is voor haar een „prettig uniform”, zegt ze op een terrasje in Utrecht – ze is in de stad vanwege een andere oratie, in het academiegebouw. Het erekleed zit in haar rolkoffer, want straks is er weer ‘togaprotocol’.

Het is eenvoudig om in Smeets, tijdens het gesprek nog in skinny jeans met glittertrui, iemand anders te zien dan de prof.dr.ir. die ze is. Het is de Ionica Smeets die haar carrière begon als Wiskundemeisje, die een favoriet priemgetal heeft (1999) en in 2014 van alle Zomergasten de meeste kijkers trok. Ze sprak daar over de schoonheid van wiskunde, en deed dat ontwapenend en verrassend – onder andere met een filmpje dat droogkomisch uitlegt dat de getekende ananas van Spongebob niet klopt, wiskundig gezien.

Maar nu is Smeets academicus, die met een eigen universitaire vakgroep gaat onderzoeken hoe wetenschappers met niet-wetenschappers communiceren. Dat communiceren, daar is ze namelijk goed in. „Ik ben zeker niet de beste wiskundige van Nederland, maar ik kan er misschien wel het beste over vertellen.”

Het gaat vaak mis, vertelt ze, als academici iets uitleggen aan leken. „Er is onderzoek gedaan over hoe artsen tijdens een consult praten met laaggeletterde diabetespatiënten. De artsen deden hun best om moeilijke woorden te vermijden, en tóch gebeurde dat. Dan zeiden ze: ‘Uw gewicht is stabiel.’ Achteraf vroegen onderzoekers aan de patiënten of ze wisten wat de arts bedoelde. De één zei: ‘Stabiel is goed.’ Anderen dachten dat ze moesten aankomen of afvallen.”

Twee jaar geleden, toen Smeets nog zelfstandig schrijver was, publiceerde ze een boek over wetenschapscommunicatie: Het exacte verhaal, met praktische tips voor wetenschappers die hun werk willen uitleggen op tv, in de krant, of voor kinderen. En haar eerdere boek Ik was altijd heel slecht in wiskunde (2011, met mede-wiskundemeisje Jeanine Daems) begon ze: je moet je onderwerp zo interessant maken zodat je het op een feestje wilt vertellen, en je moeder het begrijpt.

Kan dat altijd?

„Nee. Mijn eigen promotieonderzoek over getaltheorie kan ik niet leuk en snel vertellen. Ik denk wel dat je alles aan iedereen kunt uitleggen. Mijn schoonvader is elektromonteur, hij weet niets van wiskunde, maar na mijn promotie wilde hij wel weten waarmee ik me had beziggehouden. Toen zijn we in een leeg klaslokaaltje aan de universiteit gaan zitten, en heb ik het in een uur met hem doorgenomen. Achteraf had hij het idee dat hij begreep wat de grote lijnen waren.

„Ik vertel al jaren over wiskunde. Het is niet het meest sexy onderwerp, maar mensen vinden het toch leuk.”

Maar je behandelt geen heel moeilijke wiskunde.

„Dat is niet waar! Ik heb ook Cantors diagonaalargument uitgelegd aan vijftienjarigen.” (Ze geeft, desgevraagd, een bondige uitleg.) „Ik sprak Cédric Villani, een van de beste wiskundigen ter wereld. Hij zei: het is gemakkelijk om het publiek het idee te geven dat ze dom zijn. Je gebruikt moeilijke termen, legt het zo uit dat ze het niet snappen, en dan voel jij je slim. Maar de kunst is om het precies andersom te doen. Dat ze jou niet per se heel slim vinden – maar wel iets geleerd hebben.”

Maar, zegt Ionica Smeets: praktische tips geven over wetenschapscommunicatie, vindt ze niet meer zo interessant. „Je vraagt ook niet aan de hoogleraar informatica waarom Windows 10 zo verschrikkelijk is, en of hij daar niet iets aan kan doen.”

Je wordt wetenschapper. Wat ga je onderzoeken?

„Dat weet ik nog niet, omdat ik nog geen financiering heb gevonden voor projecten. Ik heb plannen voor onderzoeken over jargon, en over het beeld van wetenschap in de media. Maar ik wil graag ook over een wiskundig experiment een citizen science-project opzetten. Ik dacht aan het Milgram-experiment.”

Ze bedoelt niet Stanley Milgrams experiment met elektrische schokken, maar een onderzoek naar de mate waarin mensen een netwerk vormen. In Milgrams studie moesten brieven bij een bepaalde persoon worden bezorgd, hoewel er geen adres op de envelop stond. Soms bereikten de brieven toch hun bestemming, doordat mensen ze via-via doorzonden. Smeets: „Maar steeds zie je in zulke experimenten dat de uitval van deelnemers heel hoog is. Ik wil uitzoeken of dat via een citizen science-project, waarin deelnemers betrokken zijn via sociale media, beter lukt.”

Zoiets lijkt goed bij je te passen. Je presenteert je heel comfortabel, op twitter of op tv.

„Nou, ik vind bekendheid niet interessant en niet prettig. In 2014 deed ik één week Zomergasten en een reeks afleveringen van De slimste mens. Toen ben ik eerst een paar dagen binnen gebleven. Op de derde dag moest ik een vriendin op het station ophalen, en na vijf minuten wachten was ik door tien mensen aangesproken.”

Gaan we je minder op televisie zien?

„Ja. Tegen 90 procent van de verzoeken zeg ik nee. Ik probeer alleen maar dingen te doen die goed zijn voor mijn vak. ”

Hoe lang verwacht je aan de universiteit te blijven werken?

„Dit is het enige beroep waarvan ik me kan voorstellen dat ik het tot mijn zeventigste doe. Maar ik moet zeggen: op dit moment vind ik het lastig. Ik moet mijn hele onderzoekslijn opstarten, en dingen gaan zo traag. Mensen zeggen ‘we gaan dit snel regelen’ en vragen dan: heb je 20 juni tijd? Ik denk dan: ‘halló!’ Ik weet niet hoe geschikt ik daarvoor ben. Of ik doe dit tot het einde, of ik ben over een paar jaar weg.”.