Het lef om jezelf te analyseren

Twee romans over een obsessie – met een vliegtuigongeluk en met een jeugd – leiden tot een literair zelfonderzoek van twee Franse schrijvers. Het ene is openhartig, het andere afstandelijk.

Foto iStock

In een televisieprogramma ziet schrijver-uitgever Adrien Bosc de ontroering van een vioolbouwer als hij een krul in handen krijgt van een viool die hij decennia geleden heeft gelakt. De krul behoorde toe aan de viool van Ginette Neveu, een toptalent dat op dertigjarige leeftijd is omgekomen bij een vliegtuigcrash. Bosc raakt gefascineerd door het ongeluk waarbij 48 mensen omkwamen.

In 2001 publiceerde Catherine Millet haar roman Het seksuele leven van Catherine M., een spraakmakend, openhartig, autobiografisch verhaal over haar seksuele escapades. Hoe ben ik zo geworden, vroeg Millet zich sindsdien af, hoe was ik als kind, hoe ben ik opgevoed?

Hoewel de vragen en de obsessies van Bosc en Millet verschillend zijn, leiden ze tot een vergelijkbaar literair (zelf)onderzoek. In haar autobiografische boek Jaloezie, probeerde Millet antwoord te geven op de vraag die haar sinds 2001 vaak werd gesteld: hoe ging ze om met jaloezie in dat milieu van vrije liefde waarin haar wederhelft en zij verkeerden?

Nu keert ze terug naar haar prille kindertijd, naar het ‘arcadisch-burgerlijke’ Bois-Colombes, een buitenwijk van Parijs, waar ze werd geboren. Ze haalt, met behulp van twintig jaar psychoanalyse, haar vroegste herinneringen naar boven, het handje van haar pas geboren broertje dat naast haar op de sofa werd gelegd, de ‘lijzige’ stem van haar moeder als ze voor het eerst naar zee gaan. Met zijn vijven – vader, moeder, oma en twee kinderen – woonden ze lang in een tweekamerappartement, later verhuisden ze naar drie kamers, een huis verderop. Haar ouders hebben een slecht huwelijk, dat er niet beter op wordt als vader na de oorlog weer terugkomt. Er wordt ruzie gemaakt, er worden klappen uitgedeeld, uiteindelijk leidt een ieder onder hetzelfde dak zijn eigen leven.

Alchemie

Het boek volgt Millets herinneringen. Op haar vijfde gaat ze voor het eerst naar school. Als de docent de presentielijst afgaat roept ze bij het horen van haar achternaam ‘Catherine!’, in plaats van het gebruikelijke ‘present!’. ‘Diep in me’, schrijft Millet, ‘borrelde de kleine alchemie van een vleugje schaamte vermengd met het onaangename besef buiten de groep te staan die het bewustzijn in staat stelt te voelen wat het nog niet zou kunnen benoemen, zijn uitzonderingspositie’.

Zo gaat het vaak, Millet vertelt een herinnering en koppelt daaraan meteen de blik van de analyserende, observerende volwassen kunstcritica, als een voice over die de lezer vertelt hoe het zit. Als de vader zijn dochter hardhandig in elkaar slaat, merkt Millet op dat ‘als hij de moeite had genomen te kijken op de manier van een kunsthistoricus die een beeld begrijpt door andere’, had hij het beeld gezien van het meisje dat hij dertig jaar daarvoor getrouwd had.

Het meisje Millet probeert zich een plek te veroveren op school, maakt haar afwijkende thuissituatie tot onderwerp van stoere verhalen. Die zijn ‘een goede compensatie voor het ontbreken van een gezinsleven’, zo creëert ze ‘een heel bijzonder erfgoed voor zichzelf’. Ontwikkelt ze ‘kleine masturbatiegewoontes’, en dan schrijft Millet dat ‘de verbeeldingswereld van ons libido op een bepaalde leeftijd heel persoonlijk en beperkt blijft, gevoed door uiteenlopende tekens en beelden die we onbewust bij elkaar hebben gesprokkeld’, waarna ze een en ander nog verder toelicht. In haar zelfonderzoek hoor je vooral de stem die ook sprak in Het seksuele leven van Catherine M: openhartig en observerend, afstandelijk en klinisch. De critica zet het meisje dat ze wil ontdekken en belichten in de schaduw.

Met het zoeken naar dat evenwicht tussen de obsessie van het ik en het ruimte geven aan de ander, tussen leven en meta-tekst, worstelt ook Adrien Bosc. Hij begint aan het andere uiteinde: de vliegtuigcrash op 27 oktober 1949, waarbij de Constellation F-BAZN van Air France, onderweg van Parijs naar New York, neerstortte op Sao Miguel, een klein eiland in de Azoren. Alle passagiers en bemanningsleden kwamen daarbij om het leven, zoals de bokser Marcel Cerdan, die op aandringen van zijn minnares Edith Piaf, het vliegtuig nam in plaats van de boot: haar verlangen naar hem kon geen uitstel velen. Maar ook viooltalent Ginette Neveu zat in het vliegtuig.

Minutieus beschrijft Bosc in zijn debuut, dat bekroond is met de Grand Prix du Roman de l’Académie française, de zoektocht naar het verdwenen vliegtuig. Het blijkt frontaal tegen een bergkam gevlogen te zijn. Bosc gaat na hoe men erachter probeerde te komen wat er gebeurd moet zijn. Was het een technisch mankement, een verkeerde interpretatie, een misverstand – Murphy’s law? In de voetsporen van Georges Perec en Patrick Modiano gaat hij op zoek naar de gezichten, de levens van de doden: vijf herders uit Baskenland, de man die Walt Disney groot maakte, een moeder die haar revaliderende dochter ophaalt, een jonge vrouw die een fortuin erft van een geëmigreerde tante en nog tientallen anderen. Korte scherpe portretten schetst hij, een reeks van bruut onderbroken levens.

Ergens halverwege die serie mengt zich ineens een verteller, en later zelfs een ik-persoon in het verhaal: ‘het boek ontstond vanuit mijn voorliefde voor toevalligheden en mijn fascinatie voor mensen die in de vergetelheid zijn geraakt’. De verteller is gefascineerd door toevallige overeenkomsten, overeenkomende data en gebeurtenissen. Als hij in de voetsporen van het vliegtuig naar Sao Miguel afreist moeten de data van zijn ‘waarschijnlijk nogal belachelijke pelgrimstocht’, ingegeven door zijn ‘maniakale obsessie met gelijktijdigheid’, overeenkomen met de data van de oorspronkelijke expeditie. Van een speurtocht naar verdwenen levens verandert de roman in een zoekend zelfportret, bijna wetenschappelijke distantie wordt ingeruild voor een schier bijgelovige interpretatie van toeval. Of het nu gaat om een literair portret of een zelfonderzoek – het blijft koorddansen tussen afstand en emotie.