Hazenhart

Elke eeuw krijgt de Reynaert die ze verdient. Vandaar dat A.H.J. Dautzenberg in dit feuilleton met zijn 21ste-eeuwse versie van ‘Van Den Vos Reynaerde’ komt.

Illustratie Cyprian Koscielniak

De Vos staat op het balkon van zijn maisonnette en tuurt met zijn verrekijker naar de Wildernis, naar de plekken waar hij de vrijheid eens zo overvloedig vierde. Opnieuw voelt hij steken in zijn maag wanneer de contouren van zijn vorige levens opdoemen. Snel richt hij de lenzen op de boomtoppen, op de lachende wolkjes die betekenis kunnen geven aan het leven, aan zijn leven.

Het helingsproces is nog maar net begonnen, dat zei zijn zenmeester gisteren. „Ga op zoek naar de stilte van het licht, de hunkering naar het niet-bestaan.” De woorden schieten door het hoofd van De Vos. De hunkering naar het niet-bestaan, hij begrijpt er nog niet veel van.

U moet weten dat De Vos sinds zijn scheiding in een Vinexwijk woont, aan de rand van de stad. Elke avond ziet hij de zon ondergaan, verdwijnen in de Wildernis en denkt hij aan het verleden, aan zijn kinderen, aan zijn ex.

„Hoe kon zij zich met De Wolf inlaten?”, vraagt De Vos zich opnieuw af. Ook hij had de vrouw van zijn partner wel eens bepoteld, maar dat was slechts een libertaire handeling, een anarchistische daad, zo ging dat indertijd. Maar samenwonen, en dan ook nog eens in zíjn onderkomen?

De Vos laat zijn verrekijker weer zakken en bespiedt de dichtbegroeide heuvel die Malpertuis aan het zicht onttrekt. De zon morst wit licht op de stille bomen. Hij kent nog alle plekken die hij eens zo belust met leven vulde.

„Je bent te zacht voor mij.” Opnieuw hoort hij de harde woorden van zijn vrouw voordat ze hem eruit gooide. „Je hebt een hazenhart gekregen.” Ze heeft gelijk, denkt hij. Ze heeft godverdomme gelijk. Sinds enkele maanden heeft de angst hem in zijn greep. Hij is een labbekak geworden.

De Vos loopt naar binnen en gaat aan zijn bureautafel zitten. Zuchtend klapt hij zijn laptop open. Het nieuwe leven valt hem zwaar. Zijn vrouw en twee zoontjes kijken hem vanaf het bureaublad aan.

Opnieuw leest De Vos de mail van De Bruin. Morgen wordt hij bij De Leeuw verwacht, voor een ‘bijzondere briefing’. Een bijzondere briefing, wat zou De Bruin daarmee bedoelen? Ik kan beter thuisblijven, denkt hij. De Vos is bang om weer afgewezen te worden. Nieuwe tegenslagen moet hij zien te voorkomen. Maar hij heeft geld nodig, hij moet zijn huur betalen, de alimentatie.

„De verlokking van het oplossen in een verheven stilte.” De woorden van de zenmeester dansen opnieuw door het hoofd van De Vos. Hij moet zijn ego leren uitschakelen, toeschouwer worden van zijn eigen betekenisloze leven. Alleen zo kan hij weer de oude worden.

Vooralsnog ben ik een toeschouwer van mijn vorige leven, denkt De Vos, pakt zijn verrekijker en loopt weer naar het balkon. „De zonsondergang is prachtig”, fluistert hij zachtjes. „De glorieuze zegepraal van de leegte.”

Hoe hard hij zich ook concentreert op de schemering, De Vos blijft denken aan het bericht van De Bruin. Hij laat zijn verrekijker weer zakken. Wat zou De Leeuw van hem willen? Zou er iets gebeurd zijn?

Wordt vervolgd