Goed fietsplan mag wat ambitieuzer

Iedereen is het eens met de voorgestelde fietsmaatregelen, maar is het genoeg om dé fietsstad te worden?

Het was een klein unicum dat plaatsvond op 12 mei: alle Rotterdamse fracties van de gemeenteraad stemden in met het Fietsplan 2016-2018 van wethouder Pex Langenberg. Hierin staan dertig actiepunten om Rotterdam – in ruil voor zes miljoen euro – fietsvriendelijker te maken.

Dat gebeurt op drie manieren: bestaande fietspaden worden verbeterd (breder, meer licht, vaker groen licht), het aantal parkeerplekken gaat omhoog (meer nietjes en stallingen) en de gemeente gaat Rotterdammers aanmoedigen om vaker de fiets te pakken (bijvoorbeeld door ingenomen fietsen weg te geven aan inwoners met een laag inkomen).

Maar betekent unanieme instemming van de raad ook dat het een onomstreden goed plan is? Nee, blijkt onder meer uit de reactie van Vincent Luyendijk, fervent fietser en uitgever van het racefietsmagazine Soigneur. Hij mist namelijk echte ambitie, bijvoorbeeld om ‘s werelds meest fietsvriendelijke stad te worden. „Er zit geen echte ‘oemph’ in. Waarom zeg je niet dat fietsers in de binnenring voortaan altijd voorrang krijgen? Dat geeft veel gedoe, dat snap ik, maar die boodschap zou fantastisch zijn.”

„Dit plan? Dat is net als alle andere plannen: mooi en ambitieus.” Met gezonde scepsis reageert Giuliano Mingardo, onderzoeker bij de afdeling Regionale economie, Haven- en Vervoerseconomie van Erasmus School of Economics en jurylid voor de fietsstad van het jaar 2016. „Laten we over twee jaar kijken of het wel echt wordt uitgevoerd.”

Mingardo vindt het vooral jammer dat de aandacht ontbreekt om fietsen te delen. „Bij bike sharing kun je op de ene plek een fiets pakken en op een andere plek achterlaten. We hebben natuurlijk wel de ov-fiets, maar die moet altijd terug naar het station.” Deelfietsen werken vooral goed in het buitenland, waar fietsbezit niet standaard is. Maar omdat Rotterdam steeds meer toeristen trekt, kan het ook hier prima uitpakken. „Ik had gehoopt dat de gemeente het initiatief had genomen om hiermee de eerste stad in Nederland te zijn.”

Zelfs de Fietsersbond, de belangenvereniging voor ‘normale’ fietsers en betrokken bij de totstandkoming van het plan, vindt het niet enkel melk en honing, onderstreept voorzitter Jan Laverman. Het belangrijkste pijnpunt blijven de stadsstraten, zoals de Nieuwe Binnenweg en de Goudse Rijweg. „Die zijn nog steeds een ramp. Gelukkig zien we vooruitgang. De fietsstroken worden breder.” Maar blijft Rotterdam alle functies handhaven, dus én tweerichtingsverkeer én parkeerplaatsen én fietsbanen, dan wordt het nooit wat. Laverman hoopt dat er vooral meer eenrichtingsverkeer komt. „Dat kost weinig, terwijl je veel ruimte schept. Vrijwel iedere stad in Europa heeft hiervoor een verkeerscirculatieplan. Heel raar dat dit er in Rotterdam nog niet is.”

Toch zijn de experts grosso modo positief over het plan. Soigneur-uitgever Luyendijk is bijvoorbeeld enthousiast over het momentum dat er is. „Eerst waren de ambities nog wat bescheiden, nu gaan de wethouder en betrokkenen er volle bak achter staan.”

Het fietsplan zelf betitelt hij als „functioneel en instrumenteel”. Het is heel uitvoerbaar. Vermoedelijk zul je er iedere maand iets van merken.” Hij verwacht bijvoorbeeld dat zijn grootste ergernis zal afnemen: doorrijden. „Blaak is altijd een enorm probleem. Door al die stoplichten kom je niet vooruit.”

Ook de Fietsersbond is – afgezien van de pijnpunten – positief over het plan. Voorzitter Jan Laverman beschrijft het plan als „het een klein stukje draaien van een mammoettanker.” Zo wordt voortaan bij grote gebiedsontwikkelingen beter rekening gehouden met fietsers. Dat is volgens hem een grote verdienste van wethouder Langenberg. „Hij heeft heel hard geroepen dat Rotterdam dé fietsstad van 2018 moet worden en dat de fiets de nieuwe heilige koe is. En door al de kleine acties van het plan geeft de stad de boodschap af: fietsers, we houden van jullie.”