Geef joden maar weer de schuld

Beeldvorming Antisemitisme is van alle tijden, maar de vorm is tijdgebonden. De scheidslijn tussen antizionisme en antisemitisme wordt nu vaak overschreden, maar er is ook consensus dat jodenhaat verwerpelijk is.

Wenen, 1938. Een huis wordt beklad met de tekst ‘Jud’

In navolging van het Nieuwe Testament verkondigden kerkvaders, pausen, theologen en allerhande geestelijken dat joden niet alleen Christus verwierpen, maar ook schuldig waren aan zijn kruisigingsdood. Dat betekent echter niet dat antisemitisme pas sinds het christendom bestaat. Etnocentrisme, racisme en xenofobie zijn immers zo oud als de mensheid. De invulling van het antisemitisme was daarentegen vaak tijdgebonden. Walter Laqueur wees hier al op in zijn The Changing Face of Antisemitism. In zijn doorwrochte studie over anti-joodse beeldvorming en antisemitisme in West-Europa gaat Chris Quispel dieper op deze materie in.

Hoewel de kerk vanaf de oudheid een religieus antisemitisme uitdroeg, leefden christenen en joden in West-Europa lange tijd betrekkelijk vreedzaam naast elkaar. Met de komst van joodse migranten naar Frankrijk, Engeland en Duitsland in de tiende en elfde eeuw groeiden antisemitische sentimenten. Aan de theologische veroordeling van de joden werd een boosaardige beschuldiging toegevoegd: ze zouden als groep samenzweren om de christelijke gemeenschap te onderwerpen of te vernietigen. Onbegrijpelijke rampen, zoals de pest, konden plotsklaps verklaard worden. De beschuldiging van een joods complot – al dan niet in samenwerking met de duivel, moslims of leprozen – maakte joden kwetsbaar voor antisemitische volksuitbarstingen en willekeur van vorsten en bisschoppen. Pausen spraken zich doorgaans uit tegen anti-joods geweld.

Hardnekkige stereotypen

In dezelfde periode veranderde de maatschappelijke positie van joden. Ze verdwenen uit veel beroepen en kwamen noodgedwongen terecht in professies die te maken hadden met geld. Ondanks dat joden zich als belastinginner of geldschieter niet slechter gedroegen dan hun christelijke vakgenoten, ontstonden nieuwe hardnekkige stereotypen.

In de negentiende eeuw hielden velen joden verantwoordelijk voor ingrijpende ontwikkelingen, zoals de industrialisatie, urbanisatie, de groei van het bankwezen en de internationale handel, die de pijlers onder hun materiële bestaan én morele zekerheden wegsloegen. Joden golden nu als drijvende krachten achter het kapitalisme en het socialisme. Beide waren instrumenten waarmee ‘de jood’ zijn sinistere wereldheerschappij trachtte te vestigen – voor zover die heimelijk niet reeds bestond. Oude beschuldigingen van rituele moord op christenkinderen en hostieschending verdwenen echter niet.

Onder invloed van het pseudowetenschappelijke racisme deed de opvatting opgang dat het ‘joodse ras’ een schadelijke biologische entiteit vormde. Welbewust zouden joden de raszuiverheid van hun gastvolkeren ondermijnen. Het antisemitische complotdenken kreeg nieuwe invulling. Hoofdbestanddeel bleef dat joden wezenlijk anders en intrinsiek slecht waren. Het arsenaal van antisemitische aantijgingen werd zo voortdurend uitgebreid. Vrijwel iedereen kon er iets van zijn gading in vinden.

Welbewust zouden joden de raszuiverheid van hun gastvolkeren ondermijnen

Terecht belicht Quispel ook de ‘vergeten’ antisemieten van links. Hoewel Karl Marx de leuze ‘Proletariërs aller landen, verenigt u’ verhief tot strijdkreet van de arbeidersklasse, was hij zelf niet geheel vrij van racistische en antisemitische oprispingen. In brieven aan Friedrich Engels beschimpte de half-joodse Marx de Duitse socialistische leider Ferdinand Lassalle als ‘joodse nikker’. In zijn vroege werk Der Judenfrage uit 1844 hekelde Marx het jodendom als belichaming van egoïsme, materialisme en kapitalisme.

Tijdgenoten en theoretici van het anarchisme – de Fransman Proudhon en zijn Russische leerling Bakoenin – gingen zich bij gelegenheid te buiten aan genocidale tirades tegen joden. Een milder antisemitisme was aanwezig bij de socialistische wegbereider en latere anarchist Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Hij en diverse andere voormannen van het vroege socialisme propageerden een antisemitisme waarbij joden – gehekeld als ‘geldjoden’, ‘pelsjassen’ en ‘smouzen’ – als groep verantwoordelijk werden gehouden voor het verderfelijke kapitalisme.

Bij Quispels studie kunnen twee kanttekeningen worden geplaatst. Allereerst was het antisemitisme van de NSB aanzienlijk radicaler dan hij beschrijft. Vanaf 1937 pleitten Mussert en zijn beweging herhaaldelijk voor het deporteren van de joden. Tijdens de bezetting omschreef Volk en Vaderland joden als parasieten en ziekte verspreidende ratten. Met instemming verwees het blad begin 1941 naar Hitlers dreigement van twee jaar eerder dat ‘het jodendom in Europa’ vernietigd zou worden wanneer het een nieuwe wereldoorlog ontketende. Zijn huiveringwekkende profetie werd kort daarna werkelijkheid.

Nietzsche

Een ander kritiekpunt betreft het onaangeroerd laten van Nietzsche’s ambigue houding tegenover joden. Ongenadig hekelde hij het epidemische antisemitisme van zijn tijd. Bij zijn stormaanvallen op het christendom bezondigde de filosoof zich tegelijkertijd aan antisemitische schimpscheuten. Was Niezsches kritiek op het ‘verjoodste’ christendom van invloed op het antisemitische en christofobe denken van de nazi’s?

De Holocaust heeft onze houding tegenover antisemitisme volledig veranderd. Maar niet onmiddellijk. Pas in de jaren zestig drong de omvang van het leed dat de joden was aangedaan werkelijk door. Antisemitisme gold voortaan als iets verfoeilijks. Slechts woorden als ‘jodenstreek’ en ‘jodenfooi’, herinnerden eraan dat antisemitisme – in een gematigde variant – in ons land eveneens wijdverspreid was.

Is er nu sprake van een nieuwe kentering? Quispel behandelt dit slechts kort. Bij de agitatie van veel islamieten en sommige radicaal-linkse groepen tegen Israël wordt de scheidslijn tussen antizionisme en antisemitisme regelmatig overschreden. Tegelijkertijd bestaat een maatschappelijke consensus dat jodenhaat verwerpelijk is. Toen mocrorapper Ismo kritiek kreeg op zijn rhyme dat hij ‘die fucking joden’ nog meer haat dan de nazi’s, zei hij niet alle joden te bedoelen maar ‘zionisten’. Ook dit behoort tot The Changing Face of Antisemitism.