‘Elke straat in deze buurt ademt muziek’

In de Concertgebouwbuurt heten 65 straten naar een componist. De Muze van Zuid wil hun muziek levend houden.

Foto’s Tammy van Nerum

De Bachstraat en de Beethovenstraat liggen voor de hand. Maar wie weet aan wie de Banstraat en de Van Breestraat hun naam ontlenen? En de Wanningstraat? De Cornelis Schuytstraat? Begin 20ste eeuw werd het stratenplan aangelegd van de buurt rond het toen nog jonge Concertgebouw. Zo’n 65 straten kregen de naam van een componist, bijna 50 van hen waren Nederlanders. Maar hun muziek is grotendeels vergeten.

Het blijft eigenaardig, vindt Jurriaan Röntgen (1945), dat Nederlandse muziek zo’n slecht imago heeft: „Zelfs in muziekkringen bestaat weinig interesse voor ons muzikale verleden. En dat is niet terecht.” Zelf is hij kleinzoon van de Nederlands-Duitse componist Julius Röntgen, die géén straat heeft in de buurt, maar die wel op een cartouche in het Concertgebouw prijkt.

Röntgen is een van de organisatoren van ‘De Muze van Zuid’, een tweedaags festival dat de muziek achter de straatnamen wil laten horen en buurtbewoners bewust maken van dit erfgoed. Het idee vond weerklank, want een grote groep buurtbewoners werkt als vrijwilliger mee aan het festival en de concerten vinden onder meer plaats in vijf opmerkelijke huiskamers. Röntgen, zelf musicus, heeft zich voor de programmering diepgaand in de Nederlandse muziek verdiept. Die kennis bestaat nauwelijks nog, vertelt hij. Men denkt vaak dat het weinig kwaliteit heeft, maar bijna niemand weet dat uit eerste hand.

Sommige clichés kloppen: tussen grootheden Sweelinck (rond 1600) en Diepenbrock (rond 1900) gaapt een kloof; op de straatnaambordjes schittert de gehele 18de eeuw door afwezigheid. Maar van de wereldberoemde renaissancemeesters uit de Zuidelijke Nederlanden – Ockeghem, Dufay, Josquin – tot de kopstukken van de vroege 20ste eeuw (Wagenaar, Vermeulen, Pijper) is het parelduiken.

„De strijkkwartetten van Johannes Verhulst zijn bijvoorbeeld erg goed”, zegt Röntgen. „Die springen er echt uit in zijn oeuvre.” De straatnamencomponisten worden in de concerten gecombineerd met Nederlandse componisten van nu; zo speelt het Dudok Kwartet naast Verhulst ook een werk van de jonge Max Knigge (1984).

Hoogtepunten te over, maar Röntgen verheugt zich bijzonder op het Requiem van Daniël de Lange, in 1884 een van de oprichters van het Amsterdamsch Conservatorium. Het is een groot romantisch werk dat een belangrijke rol speelde bij het aanwakkeren van de belangstelling voor de renaissancepolyfonie.

We verlaten café Oud-Zuid en lopen een stukje door de buurt. De muziekgeschiedenis ligt hier op straat en niemand die het weet. „Daar woonde Cornelis Dopper”, wijst Röntgen. „Zijn werk klinkt nu oubollig, maar hij is wel degene die begonnen is met het organiseren van jeugdconcerten in het Concertgebouw.” Verderop, in de Van Eeghenstraat, staat het huis van de legendarische Concertgebouworkest-chef Willem Mengelberg.

Een vracht aan dergelijke weetjes en achtergronden is verwerkt tot een muziekwandeling, geleid door musicoloog Huib Ramaer. Via hoofdtelefoons horen deelnemers de muziek achter de straatnaambordjes, Ramaer vertelt de verhalen. Omdat dit onderdeel razendsnel was uitverkocht wordt op zaterdag 28 mei een extra muziekwandeling georganiseerd.

Röntgen houdt halt in de Johannes Verhulststraat, ter hoogte van nummer 89. Hier woonde Alphons Diepenbrock. De bovenwoning wordt nog altijd bewoond door een nazaat van de componist. Röntgen stelt zich voor hoe Gustav Mahler hier aanbelde wanneer hij op bezoek ging – die twee waren goed bevriend. Arnold Schönberg kwam ook langs. Boven op het dak lieten Diepenbrocks dochters een muziekstudio bouwen, duidelijk te zien vanaf de straat, waar tijdens de Tweede Wereldoorlog illegale huiskamerconcerten werden gegeven.

Overigens had Diepenbrock zelf mogelijk liever in een andere straat gewoond: „Hij had een grote hekel aan Verhulst”, zegt Röntgen.