‘Toch een geluk’ laat een geïnspireerde Barbara Stok zien

Nederlandse stripmakers maken zich op voor de Stripdagen. Daarom verschijnen opvallend veel nieuwe albums. Barbara Stok en Hanco Kolk, twee van de belangrijkste Nederlandse striptekenaars, brengen nieuw werk uit. De kwaliteit verschilt.

Uitsnede Barbara Stok

Het is opvallend hoeveel nieuwe stripboeken er deze weken verschijnen: uitgevers en stripmakers maken zich op voor de Stripdagen Haarlem, het belangrijkste stripfestival van Nederland, dat op 3 juni van start gaat. Dat gaat het best met nieuw werk. Onder meer Barbara Stok en Hanco Kolk, behorend tot de betere striptekenaars van Nederland, zijn precies op tijd klaar.


Illustratie uit ‘Toch een geluk’ van Barbara Stok, waarin ze onder meer terugblikt op de stripbiografie die ze maakte van Vincent van Gogh.

Toch een geluk heet het nieuwe boek van Barbara Stok (1970) en het bevat een nieuwe bundeling van autobiografische verhalen, beelden en mijmeringen. Met haar relativerende toon, trefzekere blik en groot gevoel voor humor presteert de Groningse het om voortdurend in een bestek van één tot enkele pagina’s een wezenlijke gedachte te formuleren. Daartoe gebruikt ze wat zich maar aandient. Dat kunnen tafelgesprekken met vriendinnen zijn, maar even goed zeiltochtjes, momenten van angst, ijdelheid en woede of een stagedivende zanger.

Het interessante van de Barbara die Stok van zichzelf in haar strips maakt, is dat het zo’n twijfelaar is, die soms aan het tobben slaat en andere keren resoluut besluit om monter te zijn. Zoals in de strip van een pagina waarin zij en haar man Ricky het egoïsme van het economische systeem veroordelen en besluiten tot ontwrichting van de orde, maar eerst nog een witte wijn nemen. Of in de strip waarin ze sipt over haar middelmatigheid en Ricky haar opbeurt met de constatering dat „we toch allemaal” mislukkingen zijn.

Dat twijfelen en zoeken begint met het onophoudelijk stellen van vragen. Haar levensfilosofie neigt bijvoorbeeld naar onthechting en minimalistisch leven. Die houding bevraagt ze in een langere reportage over hoe je nou eigenlijk tot duurzaam leven komt. Ondanks dat het antwoord komt met grote informatieve tekstblokken behoudt Stok ook dan die persoonlijke toon die haar strips zo karaktervol maken.

Een flink deel van Toch een geluk gaat over het maken van haar stripbiografie over Vincent Van Gogh, die in 2012 verscheen. Deels in geschreven tekst, waarin ze vertelt over de worsteling met het materiaal en het zoeken naar rust om aan het boek te werken. Ook vertelt ze over de drukte die het succes met zich meebrengt. stress is een terugkerend thema in haar werk en die passages leveren geen nieuwe inzichten op.

Het lijkt erop dat het werken aan de biografie Stok meer zelfvertrouwen en inspiratie heeft gegeven. Toch een geluk baadt in dezelfde zachte kleuren als de biografie en ze neemt soms twee pagina’s voor een extravagante natuurtekening of een scène waarin ze haar man pijpt – in een ruimte waarvan het scheve perspectief hint naar Van Gogh. En een prachtig plaatje: als ze tekent hoe de wind door haar heen waait dan verbleken de kleuren.

Het is knap en bewonderenswaardig hoe Stok er nu al twintig jaar in slaagt strips van het hoogste niveau te maken. Dit boek bevestigt haar status als één van de belangrijkste stripmakers van Nederland en als, zeg maar gerust, de koningin van de Nederlandse strip.

Dat zoiets niet vanzelfsprekend is, blijkt bij het nieuwe stripboek van Hanco Kolk, toch een stilist van internationale allure. Voor De Man van Nu ging Kolk (1957) een samenwerking aanging met de jongere Belgische tekenaar Kim Duchateau (1968). In deze strip nemen de tekenaars een loopje met ons tijdsbesef om een merkwaardige liefdesaffaire op te tuigen.

Barbara Stok bewijst opnieuw: zij is de koningin van de Nederlandse strip

Wij zijn Chronomensen in de wereld van de Decimalen, voor wie enkele seconden levenslang is en voor wie ‘vorige nacht’ teruggaat tot de oudheid. Decimalen zijn onzichtbaar voor Chronomensen, terwijl de Decimalen hen alleen versteend in een beweging waarnemen. Zij leven tussen hen in, met de waarschuwing dat een aanraking fataal kan zijn.

Dat gevaar is een obstakel voor de liefde die Decimaal Falstaff opvat voor Chronovrouw Sylvia, die hij treft op het moment dat ze, in haar rolstoel, aan het typen is op haar laptop. Falstaff ontwikkelt een obsessie voor Sylvia die ertoe leidt dat hij de wet overtreedt. Meer dan een stroperige liefdesparabel levert deze moeizame constructie niet op. De voornaamste aardigheid van de verschillende tijdsdimensies is dat Kolk de Chronomensen en hun wereld tekent en Ducheteau de Decimalen.

Dan valt natuurlijk wel op dat de doorsnee stripstijl van Ducheteau afsteekt bij de superieure elegantie van Kolks eigenzinnige lijnvoering. De zelfverzekerde, joyeuze wijze waarop Kolk lijnen door laat lopen en afbreekt is een kunst op zich – zoals al jaren te zien is in zijn gagstrip Single (met Peter de Wit).

De vermenging van twee handschriften is een gimmick die de zwaktes in het scenario van De Man van Nu niet compenseert. Waarom deze twee tekenaars elkaar opzochten en niet ieder op zoek gingen naar een scenarist, is een raadsel. En zonde van de tijd.

Twee andere stripboeken vallen eveneens op door krakkemikkig gestructureerde verhalen. Bij zijn debuut (In de schaduw van mijn lul, 2010) toonde Sam Peeters (1976) een begaafd tekenaar te zijn, met een dwarse stijlopvatting, gegrondvest op de klare lijn van Amerikaanse cartoons. Dat woordloze boek was een komische aaneenschakeling van groteske situaties, waarin Peeters vrijelijk zijn gewelddadige en puberale fantasieën uitleefde. Maar opvolger Fucking Hell bevat een liefdesniemendalletje dat zo beroerd geschreven is dat het wel een parodie lijkt.

Op een orgie in de hel ontmoet Satan een vrouw op wie hij verliefd wordt. Als hij haar na een nacht samen niet meer terug kan vinden, zoekt hij hulp bij God. Die stelt een radicale voorwaarde aan zijn medewerking.

Dat magere gegeven wordt uitgewerkt in schoolse dialogen. Met als opvallende misser dat Peeters op het moment dat de verliefdheid ontstaat, en je als lezer interesse in de twee personages zou kunnen krijgen, terugschakelt naar een voice-over. Het tekenwerk, met de naar Betty Boop gemodelleerde vrouw en Statan als zacht, rood monster, is een kracht op zichzelf. Maar als stripmaker moet je meer kunnen dan tekenen.

In Spotters tekent Michiel van de Pol (1965) de liefde tussen vliegtuigspotter Frank en would-be schrijfster Julia. Nerd Frank kan zijn geluk niet op dat een vrouw interesse in hem toont. Maar als ze zwanger raakt verliest hij zich in fantasieën over wat er mis kan gaan. Zijn angst verdiept zich als ze ziek blijkt en hij bevangen raakt door Julia’s proza over het ‘opzetten’ van een afgezet been.

In de opgelegde symboliek van Van de Pol valt het afzetten van een been expliciet samen met bevallen en het maken van een kind met vliegtuigjes bouwen. Erg subtiel is het niet en de krabbelige figuren van Van de Pol ontberen de expressiviteit om wat broodnodige jeu te geven aan de teksten. Op zijn best is Van de Pol op tekstloze pagina’s. Zie de pagina waarop hij Frank acht keer in dezelfde positie bij zijn vitrine met vliegtuigjes tekent, maar steeds ouder, van kind tot twintiger. Dat is een doeltreffende metafoor voor een man die nooit verandert en dus kind blijft. Zulke momenten biedt Spotters te weinig.