‘Sterven is voor ons een eitje’

Interview Peter-Jan Wagemans en David Kweksilber Beide componisten beleven de première van een nieuw werk op de Operadagen Rotterdam". „Vluchtig? Welnee. Muziek is herinneringskunst.”

Peter-Jan Wagemans enDavid Kweksilber (l.). Foto: Andreas Terlaak

In café Engels bij Rotterdam Centraal zitten twee componisten, die allebei een opdrachtwerk hebben gemaakt voor het 50-jarig jubileum van concertzaal De Doelen. Die stukken beleven hun première in de Operadagen Rotterdam, op dezelfde avond – na elkaar, dat wel. Ze hebben allebei een brede blik op de muziekgeschiedenis, en bovendien delen Peter-Jan Wagemans (1952) en David Kweksilber (1973) een voorliefde voor blaasinstrumenten.

„Vroeger”, corrigeert Wagemans. „Tegenwoordig heb ik een passie voor de harp.” Waarvan akte. Maar hebben ze verder veel gemeen?

Wagemans: „Als componist sta je er uiteindelijk telkens weer alleen voor. Dat is soms wel zwaar.”

Kweksilber: „We zijn goed voorbereid op het sterven.”

‘Er ligt een ereschuld bij Rutte’

Wagemans: „Sterven is een eitje.”

Peter-Jan Wagemans wordt geroemd om zijn fonkelend geïnstrumenteerde orkestwerken en boekte succes met zijn tweede opera Legende, die in 2011 op de bühne werd gebracht door DNO. Zijn derde opera, Andreas weent (2012), is alleen concertant uitgevoerd: „Dat is toch wel een nagel aan mijn doodskist. Ik ben ervan overtuigd dat Andreas weent zeker zo goed is als Legende en absoluut een enscenering verdient. Ik ga er in het najaar zelf een YouTube-film van maken.”

David Kweksilber is allereerst bekend als klarinettist en saxofonist. Hij soleert net zo lief in een jazzclub als in Mozarts Klarinetconcert in het Concertgebouw. Als lid van Asko|Schönberg verschijnt ook Wagemans’ muziek op zijn lessenaar, zoals de prachtige sopraansaxpartij van Figures in a landscape (2014), die Kweksilber indertijd al even prachtig vertolkte.

„Het is een groot voorrecht om live in het moment jouw toon te delen met het publiek”, zegt Kweksilber. „Maar het is ook de grootste vluchtigheidskunst.”

„Niet voor wie jou hoort spelen”, werpt Wagemans tegen. „Ik herinner het me nog heel goed – muziek is toch herinneringskunst. Bovendien is voor een componist het maandenlang knoeien aan een stuk veel leuker dan de uitvoering. Repetities vind ik vaak ook leuk, als ze tenminste goed gaan. Bij de uitvoering zie je het publiek binnenkomen en dan denk je: da’s waar ook, daar doen we het voor!”

Prikkelen

Kweksilber is een podiumbeest, een virtuoos die nog beter gaat spelen als er een publiek voor zijn neus zit. Componeren doet hij vooral voor zijn eigen onconventionele 26-koppige David Kweksilber Big Band, en in die stukken is improvisatie altijd belangrijk. „Sommige mensen in mijn bigband leven echt voor improvisatie”, vertelt hij. „Het is verwant aan componeren, maar dan live op het podium – scheppen in het moment, het plezier ter plekke een eigen wereld te creëren.”

Wagemans perfectioneert die eigen wereld liever in zijn atelier. Hij is opgeleid als organist, maar vond concerten geven een crime. De klaviertoetsen zag hij vooral als „kansen om een noot mis te slaan.” Sowieso staat Wagemans niet graag op de bühne, zelfs niet om als componist na een première het applaus in ontvangst te nemen. „Mijn troost is Puccini. Die kon helemaal niet aanwezig zijn bij zijn eigen premières, die liep achter het theater sigaretjes te roken.”

Wagemans en Kweksilber mogen verschillende temperamenten hebben, ze praten geanimeerd en zijn het over veel eens. Over de desastreuze cultuurpolitiek van de afgelopen jaren, over het belang van de verbeelding voor zelfontplooiing, over de waarde van improvisatie, over de stand van het muziekonderwijs – beiden doceren aan een conservatorium, en vinden dat er wat moet veranderen. Wagemans: „Conservatoria leren studenten naadloos in te passen in een bestaande wereld. Creativiteit speelt geen rol.” Kweksilber: „Iedereen zou maximaal geprikkeld moeten worden om zich als muzikaal omnivoor te manifesteren.”

Ze spreken hun afschuw uit over de stemmingmakerij tegen de gesubsidieerde kunsten en houden een lofzang op Neil Wallace, programmeur van De Doelen,die hun deze compositieopdrachten verschafte. Wagemans: „In Amsterdam heb je toch de indruk dat ze het wel leuk vinden als je meedoet, maar als het er echt op aankomt geven ze de opdracht aan John Adams.”

Droste

Wagemans’ nieuwe kameropera Aan het einde van de dag gaat over een ouderwetse tenor die zijn glorietijd achter de rug heeft. De mooie rollen krijgt hij niet meer, en in een wanhoopspoging zijn carrière te reanimeren accepteert hij de hoofdrol in een moderne opera over Herostratos. Dat is vragen om problemen, want hij begrijpt noch de tekst, noch de muziek.

De handeling pendelt tussen de repetitie en de kleedkamer, waar de zanger zijn kleder vertelt over zijn grote successen van vroeger. Omdat er heel weinig geld is voor die opera – Wagemans: „Wat dat betreft is het echt uit het leven gegrepen” – zingt die kleder ook een rolletje. Er is ook een opportunistische jonge zangeres, die via dit moderne stuk in aanmerking wil komen voor een echt interessante rol. De oude zanger ziet haar wel zitten, maar zij moet niks van hem hebben. Uiteraard loopt het allemaal uit op een tragikomische mislukking.

Wagemans heeft het droste-effect van een opera-in-een-opera-in-een-opera uitgebuit door al die opera’s in verschillende stijlen te schrijven: modern, Italiaanse barok, negentiende-eeuws. „Het zou heel leuk zijn om te ensceneren en dat was ook de bedoeling. Desnoods regisseer ik het zelf. Maar er is geen geld. Dat is de lange arm van Zijlstra.”

Kweksilber, boos: „Een land moet trots zijn op zijn voorhoede: de wetenschap, de kunst. Dat is je visitekaartje. Decennialang was Nederland toonaangevend op het gebied van nieuwe muziek – daar kan geen businessmodel tegenop.”

Wagemans: „Er ligt een ereschuld bij Rutte, die zelf een goede pianist is. Hij weet wat hij kapot heeft gemaakt – Zijlstra niet, die heeft geen idee.”

Tristram Shandy

Kweksilber, met zijn bigband regelmatig te gast in de Doelen, is op uitnodiging van Neil Wallace volgend seizoen artist-in-residence van de Rotterdamse Red Sofa-serie voor nieuwe muziek. Kweksilber: „Het is moeilijk om die bigband kwijt te kunnen op Nederlandse podia, dus ik ben erg blij met deze mogelijkheid. Neil zei: schrijf een nieuw stuk voor de bigband en laat je daarbij inspireren door het boek The life and opinions of Tristram Shandy, gentleman van Laurence Sterne. Ik dacht: als jij het zegt dan doe ik dat.”

Wanneer Kweksilber hoort dat de Engelse componist Michael Nyman al sinds 1981 werkt aan een opera op basis van Sternes klassieker reageert hij laconiek: „Ik heb het wat sneller gedaan.”

Kweksilbers Tristram Shandy Suite is evenwel geen opera, maar een aaneenschakeling van stukken die geïnspireerd zijn op de sfeer en de toon van het boek. „Sterne neemt op lichtvoetige wijze de hele maatschappij op de korrel”, zegt Kweksilber. „Hij citeert er op los, springt van bijzin naar kwinkslag, dist levenslessen op, zet grafische gekkigheden in. Het is Monty Python avant la lettre. Het is een heel bijzonder, bij vlagen kolderiek boek waar je alle kanten mee op kunt. Ik heb in de geest daarvan gecomponeerd.”

Kweksilber heeft de neiging zijn compositieproces te bagatelliseren, omdat hij “in dit opus minder gestructureerd dan Peter-Jan” opereert: “Ik werk zoals een improvisator doet, als een componerend muzikant. Ik heb allerlei klanken en bagage in mijn hoofd, van Monteverdi tot nu, die mij inspireren. Soms ben ik thuis flink aan het klarinetten en maak ik aantekeningen, maar voor Shandy heb ik geen klarinet in mijn handen gehad. Ik ken de spelers in mijn band door en door en ik weet precies wat ik wil horen.”

Wagemans betwijfelt of ze echt zo verschillend te werk gaan. Ze beginnen vanuit improvisatie, ze verhouden zich nadrukkelijk tot de traditie: „We leggen het anders uit, maar waarschijnlijk zitten we best dicht bij elkaar.”