Moderne Afrikaan

Schitterende expositie werk Seydou Keïta in Parijs

Slechts veertien jaar, van 1948 tot 1962, had hij zijn fotostudio. Maar op goede dagen deed Seydou Keïta (1921-2001) wel veertig portretsessies achter elkaar. In het weekend stonden de klanten voor zijn zaak in hartje Bamako, in wat toen nog Frans Soedan heette, in rijen opgesteld om zich door de alleen lokaal bekende fotograaf te laten vereeuwigen.

De mooiste uit zijn duizenden portretten zijn nu verzameld op een grote overzichtstentoonstelling in het Grand Palais in Parijs. En wat meteen opvalt is niet alleen de uitzonderlijke technische kwaliteit, maar ook het unieke tijdsbeeld dat eruit spreekt.

De portretten zijn bijna allemaal in de jaren vijftig gemaakt: net voordat Mali onafhankelijk werd. Foto’s van Afrikanen waren tot dan toe vrijwel uitsluitend het werk van westerse fotografen met een blik die gevormd was door het koloniale project. Na die etnografische beelden met trommels, speren en vrouwen met ontbloot bovenlijf, veranderde de Afrikaan voor de camera van Keïta van een groepsdier of nobele wilde in een individu met voorkeuren en een ontegenzeggelijke hang naar moderniteit.

Daartoe had hij in zijn studio niet alleen verschillende garderobes tot zijn beschikking, maar ook rekwisieten. De ene klant poseert met een radio, de ander met een vulpen, een Vespa-scooter of een plastic bloemetje. Vooral de mannen kiezen voor Europese pakken en grootstedelijke hipsterlooks die zo van Amerikaanse filmposters afkomstig lijken. Vrouwen nemen vooral in traditionele jurken voor de lens plaats, maar iedereen straalt succes en zelfverzekerdheid uit.

Keïta, de ongeschoolde zoon van een timmerman, was autodidact. Hij kreeg zijn eerste camera, een Kodak Brownie, in 1935 van een oom die in Dakar was geweest en leerde er zelf mee omgaan. Naar eigen zeggen had hij toen nog nauwelijks moderne fotografie gezien. Toch ging hij al vroeg variëren met de poses: veel modellen kijken schuin of over hun schouder in de lens, wat de beelden vaak een soort schalkse glamour geeft.

Hij wilde zijn klanten, meestal met natuurlicht op de binnenplaats van de studio, „zo mooi mogelijk” in beeld te brengen, zei hij later. En hoewel veel mensen nog nooit eerder gefotografeerd waren, lijkt er steeds een vertrouwensband te zijn: de mensen kijken ontspannen.

Tot 1991 kende buiten Mali vrijwel niemand zijn werk. De Franse kunsthandelaar André Magnin en de Zwitserse verzamelaar Jean Pigozzi (ook de internationale ‘ontdekker’ van Keïta’s onlangs overleden tijd- en landgenoot Malick Sidibé) spoorden hem op nadat enkele van zijn oorspronkelijke afdrukken bij een tentoonstelling in New York als werk van een ‘anonieme fotograaf te Bamako’ waren opgedoken.

Keïta bleek na de onafhankelijkheid hoffotograaf van de Malinese regering te zijn geweest en had zijn studio al jaren eerder opgedoekt. Maar zijn meer dan 10.000 negatieven, vooral op grootformaat 13x18, had hij altijd zorgvuldig bewaard „voor klanten die nog een afdruk wilden bestellen”. Magnin en Pigozzi lieten de mooiste negatieven op expositieformaat afdrukken voor een eerste expositie in de Fondation Cartier en Keïta reisde op zijn oude dag de wereld rond om zijn foto’s toe te lichten.

Dat laatste kan helaas niet meer: na zijn tweede jeugd in de jaren negentig overleed Keïta in 2001 op (waarschijnlijk) 80-jarige leeftijd in Parijs. Maar de foto’s uit zijn eigen doka en de nieuwe afdrukken op de prachtige tentoonstelling in het Grand Palais van het nieuwe postkoloniale Afrika spreken voor zichzelf.