Mart lag altijd al voor op het peloton

Sportboeken Lang voordat Nederland massaal sportboeken ging lezen, verkocht Mart Smeets er al vele duizenden. Drie maanden voor zijn afscheid in Rio verscheen een nieuw boek.

‘Hard werken is geen kunst’, bromde Mart Smeets ooit tegen een interviewster – en dat heeft de lezer geweten. Zelfs zijn uitgever weet niet precies hoeveel boeken Smeets heeft gemaakt. „Het zijn er rond de vijftig”, zegt Marie-Anne van Wijnen, die al sinds begin jaren negentig met Smeets samenwerkt. „De keren dat we de totale verkoop hebben proberen te tellen zijn we gestrand bij meer dan een miljoen boeken.”

Maar dat het oeuvre groot is van de schrijver Smeets, van wie deze maand het wielerboek Aan de meet verscheen en die deze zomer tijdens de Olympische Spelen in Rio afscheid neemt van de NOS, en dat het goed heeft verkocht staat buiten discussie. Al zijn de tijden veranderd. Mart Smeets was de best verkopende sportschrijver in de tijd dat Nederlanders nog nauwelijks sportboeken lazen. Tot een jaar of tien jaar geleden waren zijn boeken de enige sportboeken in de jaarlijkse bestsellerlijsten. Inmiddels heeft het genre een explosieve commerciële groei doorgemaakt. Tot de 100.000-plus hoogten van recente sportbestsellers als Kieft en Gijp reikte de presentator en verslaggever nooit. In de beste tijd, tot een jaar of tien geleden, gingen per boek 30 à 35 duizend exemplaren over de toonbank – nu zijn dat er meestal rond 15 duizend.

De status van oud-basketballer Smeets hing natuurlijk samen met zijn alomtegenwoordigheid als presentator van Studio Sport, maar dat was niet het enige element. Vanaf zijn eerste boeken koppelde Smeets een vermogen tot bewondering van sporters met een relativerende toon, die in elk geval de suggestie wekte dat er ook wat hem betreft stiekem belangrijker zaken in de wereld waren dan sport. (En dan bedoelen we niet alleen eten, muziek en vrouwen, om drie andere favoriete onderwerpen te noemen.)

Smeets is een goed observator, wat hem al snel tot een van de betere sportschrijvers van zijn generatie maakte. Voeg daarbij dat harde werken – jarenlang combineerde hij Studio Sport met een wekelijkse column in Trouw, tal van stukken elders en een nachtelijk radioprogramma – en het succes laat zich makkelijk verklaren.

‘Kunst’ zijn de boeken van Smeets inderdaad niet. Maar hij levert niet altijd hetzelfde. Wielrennen overheerst, maar ook Amerka, tennis en de Olympische Spelen keren terug. En in verkoop stak De kopgroep boven de rest uit: geen ‘vertrouwde’ sportjournalistiek maar een van de drie romans die Smeets publiceerde, waarin zeven renners na jaren terugkijken op de dag waarop ze in één gezamenlijke ontsnapping de Tour voortijdig beslisten. Het boek werd zelfs vertaald in het Duits, als Die Spitzengruppe. Niet dat er een groot romancier aan Smeets verloren is gegaan. De kopgroep werd in NRC Handelsblad ‘een jongensboek’ genoemd: „Het kijkje dat Smeets biedt achter de schermen van Le Grand Boucle is [...] de belangrijkste reden om zijn roman te lezen.”

Vergelijk ‘m met een wielrenner

Een schrijver die zoveel publiceert – vergelijk hem met een wielrenner die veel koersen rijdt – is niet altijd in topvorm, maar in elk boek van Mart Smeets staat wel één verhaal dat echt goed is. Zo beschrijft Smeets in de bundel Dertig een schitterend tafereel in een Tourhotel. Het is ’s avonds laat maar nog bloedheet, alle renners slapen al. De auteur kijkt uit een raam, waar ineens ook de Spanjaard Miguel Induraín, vijfvoudig Tourwinnaar en een man van een legendarische zwijgzaamheid. Daarop volgt een ronduit dichterlijke dialoog, waarin Induraín tussen lange stiltes door zes woorden uitspreekt: ter begroeting ‘ola’; een fonetische weergave van ‘hola’. Ter correctie van Smeets’ Spaans volgt ‘calor’ (hitte), ter afkeuring van opgeschoten jongelui buiten ‘tonto’, ter verduidelijking daarvan voegt Induraín toe: ‘loco… crazy’. Ten afscheid mompelt hij in Smeets’ weergave ‘sonoliento’ – ‘somnoliento’ is slaperig.

Het is een prachtstuk, dat ook op een andere manier tekenend is voor Smeets, omdat hij er een paar jaar geleden op terugkwam. De slapeloosheid van de renner zou heel goed een bijwerking van dopinggebruik hebben kunnen zijn.

Doping komt veel voor in de boeken van Smeets en is in zekere zin de tragiek ervan. De programmamaker werd, in de spagaat tussen entertainment en journalistiek, toch vooral entertainer. Dus zat hij de renners minder dicht op de huid. Bovendien werd hij journalistiek gehinderd door het feit dat in Lance Armstrong bijna alles samenkwam wat hem fascineerde: Amerika, grootse wielerprestaties, een menselijk verhaal over een sporter die ook keek naar de wereld voorbij de finishlijn. Daardoor zag hij te laat dat het bedrog van de Amerikaan vele malen groter was dan de doping ‘die iedereen nu eenmaal nam’. Zijn boek De Lance Factor moest hij zelfs terugtrekken uit de verkiezing om de NS Publieksprijs. De waarheid had, zei Smeets, zijn werkelijkheid ingehaald.