‘Kunstenaar, bekommer je om je medemens’

Regisseur Alize Zandwijk (54) vertrekt na 18 jaar bij het Ro Theater. De ‘boerentrien uit de Achterhoek’ gaat nu naar Bremen. ‘Het is bij mij heel erg ‘niet lullen maar poetsen’. Daarom paste ik ook goed in Rotterdam.’

Alize Zandwijk Foto Andreas Terlaak

Branden was in 2010 zo’n zeldzame voorstelling waarin alles perfect op zijn plaats valt. Zoals regisseur Alize Zandwijk (54) het nuchter verwoord: „Als de mayonaise pakt, dan pakt ie.” Zandwijk introduceerde er de Canadees-Libanese toneelschrijver Wajdi Mouawad mee in Nederland. Goed gezien, want een jaar later tilde de (bekroonde) verfilming Incendies zijn naam richting wereldfaam. Ter ere van haar vertrek bij het Ro Theater, na bijna twintig jaar Rotterdams toneel, wordt die dierbare voorstelling nu voor het laatst hernomen.

Actrice Fania Sorel, Zandwijks muze bij het Ro, speelde in Branden de rol van haar leven als moeder met een oorlogsgeheim. En in de multiculturele cast resoneerde de thematiek van oorlog, ontworteling, familie en herkomst mee: Bright Richards zag als kind de oorlog in Liberia, musicus Oleg Fateev had als soldaat in het Russische leger gediend, acteurs Yahya Gaier en Nasrdin Dchar worstelden met hun Marokkaanse wortels en hun geloof. De zalen puilden uit, ook met niet-regulier theaterpubliek van diverse culturele herkomst. Zandwijk: „Echt geweldig! En een deel van dat publiek is gebleven, dat ging vervolgens ook naar de familievoorstelling van Pieter Kramer.”

Als ze iets heeft geleerd in die 18 jaar, is het dat er geen recept bestaat voor dit soort succes. Zoiets is „toeval, geluk, smaak, gevoel”, zegt Zandwijk. Natuurlijk is het succes tenminste deels haar verdienste, maar echt verklaren kan ze het niet. Overigens, haar veelgeroemde regisseursintuïtie pakte bij het Rotterdamse stadstheater ook vaak genoeg „hartstikke verkeerd” uit, lacht ze.

Ze noemt een paar mislukkingen: haar Oresteia (2000). „Dat was een ramp, ik wilde veel te veel, het was barok-over-the-top”, en Oedipous (2013), „O God, die veel te extreme kostuums hielden het publiek enorm op afstand,”

Teleurstellingen waren er ook, zoals Vuurvrouwen in 2014. „Dat had juist in deze tijd echt iets kunnen worden: een steengoed fonkelnieuw stuk van Rob de Graaf over Ulrike Meinhoff en Jeanne d’Arc, religieus fanatisme en terrorisme. Maar het werkte niet, terwijl ik de voorstelling wel goed gelukt vond. Ik heb nooit zo goed begrepen waarom. Zonde.”

In uw werk lijkt overdaad de grootste valkuil. U houdt van het grote gebaar en stapelt graag metafoor op metafoor.

Vrolijk: „Hahaha, ja, daar zit wat in, ik ben nogal kwistig met beelden. Nu je het zegt: in Vuurvrouwen hadden we Jezus aan het kruis, een Banksy-achtige mural met Gucci-tassen over de consumptiemaatschappij en nog een beeld van dat napalm-meisje hand in hand met Mickey Mouse. Hét symbool van oorlog, met hét symbool van het kapitalisme – dat ging voor mij letterlijk hand in hand. Veel te veel, maar op zo’n moment ben ik er heilig van overtuigd dat dat er allemaal in moet.”

Een andere constante in uw oeuvre is aandacht voor de underdog. Waar komt die fascinatie vandaan?

„Ik denk van mijn vader. Als eenvoudige timmerman uit een arbeidersgezin voelde hij zich altijd minderwaardig ten opzichte van mijn moeder, die van iets betere komaf was. Het was geen succesvol huwelijk en is geëindigd in een scheiding. Mijn jeugd was overigens gelukkig hoor. We hadden weinig geld, maar daar heb ik nooit last van gehad. Mijn moeder was ontzettend creatief. Ze kon goed naaien en mijn tweelingzus en ik zagen er altijd heel leuk uit. Wat nodig was, was er.

„ Mijn vader is uiteindelijk hoofd geworden bij de houtafdeling van de sociale werkplaats. Als kind ging ik wel eens mee, en dat vond ik soms wel eng: het volstrekt eerlijke, onvoorspelbare van die mensen. Maar het was altijd fascinerend. Ik heb van huis uit een sterke sociale en humanistische overtuiging meegekregen: je bekommert je om je medemens, zeker als die het slechter heeft. Als de eierboer bij ons langskwam, en hij stonk, zette mijn moeder hem onder de douche.”

U noemde zichzelf in een interview ‘nog altijd een boerentrien uit de Achterhoek’.

„Ik kom uit Hellendoorn, en de Achterhoek is natuurlijk altijd een beetje achtergesteld gebied, misschien verklaart dat mijn fascinatie ook wel. Maar met die uitspraak bedoelde ik vooral dat ik eerlijk ben, en recht voor z’n raap. Poeha en arrogantie zijn mij volledig vreemd, eerlijkheid en waarachtigheid scoren heel hoog. Het is bij mij ‘niet lullen maar poetsen’. Daarom paste ik ook goed in Rotterdam.”

Hoe kijkt u terug op uw tijd bij het Ro?

„Met trots en tevredenheid. Maar ook een beetje met pijn in mijn maag. Ik sluit mijn periode als artistiek directeur heel goed af, met in 2015 een recordaantal bezoekers: 75.000. We hebben heel bijzondere voorstellingen gemaakt, zoals Branden, Moeders, Slaaf en Koning Lear. Waar ik met name trots op ben is de band die het Ro met de stad Rotterdam heeft opgebouwd. In Rotterdam is veel publiek voor toneel niet vanzelfsprekend. Maar in Moeders werkten we samen met vrouwen van uiteenlopende afkomst uit de buurt – uit Iran, Liberia, Suriname, Kaapverdië, Curaçao, Pakistan – wat voor een heel nieuw publiek zorgde. Met een toneelschrijver als Dea Loher heb ik consequent maatschappelijke, grootstedelijke problematiek aangekaart. Sadettin Kirmiziyüz heeft met Code 010 een typisch Rotterdamse voorstelling over de haven gemaakt. En Jack Wouterse en Nasrdin Dchar zijn acteurs met Rotterdamse wortels en een grote Rotterdamse achterban.”

Wat veroorzaakt die pijn in uw maag?

„Dat die band met de stad binnen de plannen van Theater Rotterdam nagenoeg ontbreekt. Verandering is goed, maar wel met de respect voor de knowhow die wij de afgelopen 18 jaar hebben opgebouwd. Die zie ik in de plannen niet terug. Sterker: Sadettin moest vertrekken, Nasrdin, die steeds met losse contracten bij ons werkte, krijgt geen nieuw contract. Jack weet nog steeds niet wat hij gaat doen, en heeft het gevoel dat de nieuwe leiding van het Ro niet goed weet wat ze met hem aan moeten. Theatermaker Marjolijn van Heemstra gaat wel lokaal iets doen, maar ik geloof maar één keer in de twee jaar. Ik begrijp niet dat Rotterdamse beleidsmakers dat pikken.”

De grootse plannen van Johan Simons voor een ‘Europees georiënteerd gezelschap’ zijn toch ook enthousiasmerend?

„Maar wat is dat, Europees theater? En voor wie? Ik stel me daar toch vooral voorstellingen met boventiteling bij voor. Wat heeft het Rotterdamse publiek daaraan? Wij hebben ook Duitse co-producties geprogrammeerd, en het is in Rotterdam heel moeilijk om daar publiek voor te vinden. Eerlijk gezegd denk ik dat ‘Europees theater’ vooral leuk is voor diegenen die het maken.

„Simons wil Rotterdam laten aanhaken bij een Europees avant-garde kunstcircuit, dat klinkt mooi, maar ik mis de aandacht voor hedendaagse grootstedelijke problematiek. Rotterdam heeft 165 nationaliteiten, dat moet zijn weerslag krijgen in het stadsgezelschap, met makers als Sadettin en Nasrdin, die voorstellingen maken over hun herkomst en identiteit. Dát zijn de verhalen van nu, en die spreken een breder, diverser en jonger publiek aan.”

Bespeur ik daar enige wrok?

„Ik wil niet met modder gooien, maar de gang van zaken rondom mijn vertrek en de totstandkoming van Theater Rotterdam was slordig en chaotisch, en dat doet soms nog wel pijn. Maar eerlijk is eerlijk, toen het Ro in 2013 met een miljoen werd gekort wist ik dat mijn laatste kunstenplanperiode was aangebroken. We hebben toen het ensemble grotendeels op moeten heffen, en onszelf met te weinig geld wat te dun uitgesmeerd. Dat wilde ik niet nog eens vier jaar. Daarbij: in een creatief beroep is verandering zuurstof.”

En nu?

„Ik word ‘künstlerische Leiterin’ bij Theater Bremen, een groot theater voor toneel, opera, dans en jeugdtheater. Ze zijn daar pas vijf jaar bezig en er heerst een knetterende energie. Mijn eerste regie wordt na de zomer Bertolt Brechts De goede mens van Sezuan, over de vraag hoe je een goed mens moet zijn. Ik vind dit een moeilijke tijd om in te leven – zoveel paradoxen, angsten en twijfel. Vlakbij het theater in Bremen zit een groot vluchtelingenkamp. Wat moet ik daarmee, als theatermaker, en als mens? Over die grote vragen moet kunst anno nu gaan.”