Een soundtrack die de foto’s niet voor zich laat spreken

Vogezen, Collet du Ligne (detail). Foto L.J.A.D. Creyghton

Herdenken is complex. Je ziet het aan monumenten voor de Tweede Wereldoorlog, die nog steeds worden opgericht, maar anders. Kort na de oorlog waren gedenktekens vaak bronzen mensfiguren, waar nabestaanden iets van hun eigen smart in konden herkennen. Maar nabestaanden zijn er steeds minder, en voor nieuwe generaties die willen stilstaan bij vrede is zo’n oorlog ver weg. Persoonlijke verhalen maken dat minder abstract – fototentoonstellingen, boeken, Stolpersteine bij woonhuizen van afgevoerde Joden – of gedenkroutes langs een brandgrens of frontlinie. Het is complex omdat pathos en clichés op de loer liggen. En hoe dat fout kan gaan, is nu te zien in Museum De Pont: het Hindenburgline project.

Voor dit project, waarover ook een boek is verschenen, reisden fotograaf L.J.A.D. Creyghton en dichter Serge van Duijnhoven langs de Westenburg-Hindenburglinie, een frontlijn uit de Eerste Wereldoorlog. Ze troffen er groene bossen en glooiende velden, waar je het gruwelijke verleden enkel in gedachten op kunt projecteren. Intussen lazen ze brieven en dagboeken van soldaten. Dat contrast doet denken aan de ‘schuldige landschappen’ van Armando en aan de slagvelden die Raquel Maulwurf in houtskool tekende, verpletterend kaal en leeg. Of aan foto’s van Tacita Dean, die met een camera antiek steen aftast op zoek naar getuigen. Zo kan kunst bruggen leggen naar andere tijden en plekken. De combinatie van nabijheid en stilte maakt het verleden invoelbaar.

Creyghton kan dat in principe ook. In twee zalen hangen zijn foto’s en ze hangen goed, ritmisch verspringend, groot naast klein, bossen naast velden. Door die ritmiek is het een reis en in gedachten en reis je mee. Afstand impliceert tijd, tijd nemen impliceert een ritueel, rituelen horen bij herdenken. Zo kijk je extra aandachtig, wetend dat Creyghton die landschappen opzocht omdat ze iets onuitsprekelijks bedekken. En was het maar onuitgesproken gebleven.

Maar bij de expositie hoort een app met geluiden en Van Duijnhovens gedichten. Hij draagt exact voor wat je niet ziet: „We aten vlees van lijken/ de huid niet, wel de lever/ en de longen. We bakten/ omelet van bloed.” Daarna violen, die overgaan in ritmisch militair geluid. Intussen kijk je naar die akkers en bossen. Bomen in tegenlicht, als in de verte een koud zonnetje doorbreekt. Ze zijn ingetogen en alledaags en juist daardoor kun je je erin verplaatsen, van het hier en nu overstappen naar wat achter die alledaagsheid besloten ligt.

Maar nee, daar komen de troepen weer: verhalen over spattend bloed, schimmeldraden op lijken. De soundtrack laat de wind gieren. Dit geweld sluit elk inlevingsvermogen uit en maakt herdenken onmogelijk.