Een ‘requiem’ met zachte rondingen

dirigeerde meesterwerken uit Mozarts laatste levensjaar. Maar zijn regie van ‘Die Zauberflöte’ stelde teleur

‘Die Zauberflöte’: soms lachwekkend, soms een ongelukkige kruising tussen Sesamstraat en Geer & Goor Foto Ronald Knapp

Mozart was pas 35 toen hij bezweek aan een geheimzinnige ziekte, halverwege zijn eigen Requiem. De Hongaarse dirigent Iván Fischer wijdde met zijn Boedapest Festival Orkest een heerlijk tweedaags festival aan de meesterwerken uit Mozarts laatste levensjaar. Wat een ideeën, wat een rijkdom!

Fischers benadering van het Requiem was in alle opzichten naturel en getuigde van visie. Passages die nogal eens leiden tot overdreven daverende contrasten – ‘Et lux perpetua’ in het Introïtus bijvoorbeeld – klonken eerder gewatteerd, met zachte rondingen. Niet dat Fischer voorzichtig was; juist door dosering en voorbereiding kwam het aanzwellende Dies irae aan als een mokerslag en zorgden Rex tremendae en Confutatis voor extatische opwinding. Op delicate ogenblikken boetseerde Fischer de klank met zijn handen, zoals in de aangrijpende sterfmuziek van het Lacrimosa. Mede doordat de zangers van Collegium Vocale tussen de orkestleden op het podium stonden waren balans en klankhomogeniteit voortreffelijk.

In het Klarinetconcert stond Fischer naar solist Ákos Ács toegekeerd te glimlachen, terwijl hij achter zich een beetje de maat sloeg – maar het ene schitterende detail na het andere werd uitgelicht. Ács had een prachtig romige toon. In een klezmer-toegift toonde hij zich met vette licks ook een opzwepend entertainer.

Iván Fischer tekende zelf voor de regie van Die Zauberflöte. De bloeitijd van opgepompte regisseursconcepten is voorbij, betoogde hij vorige week in deze krant: Fischer wil terug naar de essentie, muzikale magie. Het Concertgebouw was niettemin omgebouwd tot operahuis: de voorste rijen moesten wijken voor een ‘concertbak’, gigantische zwarte gordijnen onttrokken de podiumtribunes aan het zicht en fungeerden als coulissen. Het achterdoek was een projectiescherm, dat kinderlijke tekeningen toonde uit een verhaaltjesboek waarvan de bladzijden werden omgeslagen.

Ja, Die Zauberflöte is een sprookje. Maar Mozarts laatste opera is ook een puzzel van plotlijnen, platte grappen, vrijmetselaarsneuzelarij, verheven gezever, vrouwonvriendelijke moraal, lofzangen op de liefde – en betoverende muziek. Die puzzel loste Fischer-de-regisseur niet naar tevredenheid op, al waren er tal van geestige en zelfs sublieme momenten, vooral dankzij Fischer-de-dirigent.

Om te beginnen was er te veel ruis. Bijna alle zangers van de sterke cast werden gedubbeld door Nederlandse acteurs, ten behoeve van de verstaanbaarheid van de spreekteksten. De soms knullige wisselingen werden met zelfspot op de korrel genomen toen Papageno (boertige bariton Hanno Müller-Brachmann) zijn dubbelganger vergeefs probeerde te wekken uit een dronkemansslaap en toen maar zelf de dialoog aanging met Papagena – in het Duits.

Ook het orkest was voortdurend aan de wandel, van de orkestbak naar backstage en terug. Nodig? De uitsmijter was in elk geval leuk: achter het opgehesen projectiescherm verscheen het vertrouwde Concertgebouwpodium, waar musici en zangers elkaar nog tijdens het slotkoor feliciteerden en bloemen uitdeelden. Het ging tenslotte om de muziek.

De tempelscènes kregen cachet door een komisch onbeholpen schaduwspel, maar bleven wat zijig. Het plat-Amsterdams van Papageno (Bart van der Schaaf) en de fantasy-tekeningen werkten soms op de lachspieren, dan weer als een ongelukkige kruising tussen Sesamstraat en Geer & Goor. Onderhoudend was het zeker. Het getuigde van lef, en dat valt te prijzen. Maar de essentie: die trof Fischer in het Requiem.