Brussel treurt om pastoor én bruggenbouwer van de stad

De correspondent Jacques van der Biest was meer dan pastoor. Een zachtaardige anarchist die de boel bij elkaar hield in de woelige Belgische hoofdstad.

Voor de Brusselaars, al behoorlijk getergd door de terreuraanslagen, kwam zijn dood als een trap na. Vorige week overleed de grootste bruggenbouwer van de stad: pastoor Jacques Van der Biest van de Miniemenkerk in volkswijk Marollen. Een zachtaardige anarchist die de boel in het woelige Brussel bij elkaar hield.

Ik raakte toevallig met hem bevriend na een fietstocht op een kille zondagochtend in de eerste week van aankomst in mijn nieuwe standplaats. Het waren geen mooie dagen: terwijl ik de verhuisdozen nog moest uitpakken, overleed mijn vader, met wie ik tijdens lange autoritten zo vaak had genoten van Bach-cantates. Ooit, jaren voor zijn dood, reden we de wagen in een kettingbotsing total loss met ‘Ich hatte viel Bekümmernis’ op. Bach bood altijd troost.

Nu stuiterde ik over de kasseien door de Miniemenstraat, waar door de geopende kerkdeur een wonderschone aria van Bach ontsnapte. Ik parkeerde mijn fiets. Achter in het eeuwenoude kerkje was nog plaats. Het rook er naar oud zweet: hier stonden de zwervers uit de buurt. Op de eerste rij, met hun neus boven op de alt en sopraan en eerste violist, zat de hoofdstedelijke adel. En achter die adel zat hij: meneer pastoor. Bijna tachtig, dun houten wandelstokje in zijn dooraderde hand.

Armeense bedelaar

Na het laatste koraal verliet niemand de kerk zonder hem eerst de hand te hebben geschud. Voor iedereen maakte hij tijd, zowel voor madam de freule uit het kerkbestuur als voor de door oorlog getraumatiseerde Armeense bedelaar die hij onlangs nog van straat had geplukt en aan een sociale woning had geholpen.

Toen de kerk was leeggelopen, verscheen vanuit de sacristie in een donkere nis een kleine man. Gestoken in een lange bruin-suède jas. Zonnebril op. Enorme bos verroeste sleutels in de hand en filtersigaret – nog niet aangestoken – bungelend tussen zijn lippen.

Pastoor Jacques Van der Biest in 2005, voor de deur van zijn kerk in volkswijk Marollen.Foto BX1/YouTube

„Luigi. Ik ben hier de koster”, zei hij kortaf, waarna hij op zoek ging naar pastoor Jacques. Gearmd liepen de twee mannen de kerk uit richting pastorie om de hoek. Tijd voor een lunch en een middagdutje. Ik bleef alleen achter in de kerk.

In de jaren erna belde ik wel eens aan bij de pastorie voor een praatje met Jacques. Hij vertelde honderduit. Over hoe hij op de barricades stond toen projectontwikkelaars in de jaren zestig ‘zijn’ Marollen wilden platgooien. De pastoor en de Marolliens hielden stand. En hij sprak liefdevol over Luigi: die had als B-acteur in meer dan honderd Italiaanse films gespeeld – „ook wat softporno, maar soit!”, lachte Jacques. Een beeldschone toeriste uit Brussel had de acteur vanaf een Romeins terras mee naar België gelokt. Maar de liefde bleek fataal en Luigi belandde in de Marollen in de goot waaruit Jacques hem opraapte. En zo waren er nog heel veel meer die de pastoor weer op het rechte pad hielp.

Bach-cantates

Zijn grootste trots waren de uitvoeringen van de Bach-cantates in zijn kerk. Koor en orkest bestaan uit vrijwilligers die overdag werken op advocatenkantoren, banken en de Brusselse hoofdkwartieren van NAVO en EU. Afrikanen, Letten, Hongaren en Hollanders. Die mengelmoes, zo moet Brussel zijn, vond hij.

Maar de laatste tijd sloeg de sfeer om. In het Joods Museum, in hetzelfde Miniemenstraatje, maaide een IS-strijder met een kalasjnikov vier bezoekers neer. Toen Brussel op 22 maart werd opgeschrikt door bomaanslagen was Jacques, 86 jaar oud, al ziek. Vorige week maakte hij een dodelijke val van de trap.

Koor en orkest is intussen de wacht aangezegd door de conservatieve deken, die genoeg heeft van ‘muzikale fratsen’ in de Miniemen.

„Godverdomme”, vloekt koster Luigi op de stoep voor de kerk, waar vrienden een laatste groet brengen aan de pastoor. Met zijn versleten lakschoen trapt Luigi zijn sigaret uit. „Alweer een stukje Brussel om zeep.”