Blaaskaak

De post bracht een interessante vraag. „Mijn vrouw en ik hadden een discussie over het woord blaaskaak. In mijn beleving is de blaaskaak een wat jonger type. Mijn vrouw ziet juist een oudere man. Een vrouw kan volgens ons geen blaaskaak zijn of is dat een kwestie van emancipatie? Ook zouden we graag willen weten waar dit woord vandaan komt.”

Zelf vind ik blaaskaak een mooi woord. Door het binnenrijm en die overdaad aan aaaa’s lijkt de betekenis uit de vorm voort te komen; de gemiddelde blaaskaak produceert veel blabla en poeha.

Kun je alleen jonge of ook oude mannen een blaaskaak noemen? Een blaaskaak is een type mens, lijkt mij, en dat is niet aan leeftijd gebonden. Onder jonge mannen zullen gemiddeld meer blaaskaken voorkomen omdat overmoed nu eenmaal een zegen van de jeugd is. Ouder worden leidt bij de meeste mensen tot enige bescheidenheid, maar Donald Trump – om eens iemand te noemen – is 69 en in mijn ogen het toppunt van blaaskakerigheid.

Zelf zou ik blaaskaak ook niet snel voor een vrouw gebruiken. Dat heeft volgens mij niets met emancipatie maar alles met taalgevoel te maken. Blaaskaak is een scheldwoord. Bij veel scheldwoorden – ik zal deze week voor de verandering geen voorbeelden noemen – voelen we feilloos aan of je dit voor een man of vrouw gebruikt.

Nou ja, één voorbeeld dan. Wie zegt er weleens klootzak tegen een vrouw? Ik heb dat nog nooit gehoord.

Blaaskaak is in 1562 voor het eerst opgetekend, in de vorm blaescake. Van meet af aan had het de betekenis ‘snoever, opschepper, praatjesmaker’. Het idee is dat een blaaskaak ‘opgeblazen wangen’ heeft, om veel lucht te kunnen produceren.

In de Nederlandse literatuur wemelt het van de snoevers die vanwege hun karakter bijnamen hebben als hopman Blaaskaak, kapitein Snoever of Piet Praatjesmaker – merk op dat dit allemaal mannen zijn. Een bekend spreekwoordenboek uit 1726, van Carolus Tuinman, geeft bij de uitdrukking het is een windbreker als toelichting: „Dat is, een blaaskaak, een snoefshaan, een windbuil. [...] Word niet verschrikt: blaazers byten niet.”

In dit citaat komt het woord snoefshaan voor. Om vragen voor te zijn: de gangbare vorm is snoeshaan. Het is ontleend aan het Duitse ‘Schnauzhahn’, dat ‘kalkoen’ betekent. Blaaskaak en snoeshaan waren oorspronkelijk familie: beide woorden werden lang gebruikt voor ‘pocher’ of ‘snoever’. Sinds het midden van de 19de eeuw wordt snoeshaan meestal voorafgegaan door rare of vreemde en gebruiken wij dit voor een ‘vreemde snuiter’ (volgens mij ook alleen voor mannen).

De post bracht nog een tweede interessante vraag. „Wij hadden een discussie over de uitdrukking: de vraag stellen is hem beantwoorden. We kwamen er niet uit wat de juiste betekenis van deze zegswijze is. Weet u het?”

Taal leidt vaak tot discussie – zoveel is duidelijk. Wat betreft het antwoord: dat moet ik schuldig blijven. Ik heb de uitdrukking weleens gehoord en meende dat het zoiets betekent als ‘het is een domme vraag want het antwoord ligt erin besloten’, maar ik twijfel of dit juist is. Wie het weet, mag het zeggen.