Rubens’ oeuvre (2.500 werken) moet in 2020 beschreven zijn

Alle werken van Rubens uitgebreid beschrijven, daar wordt sinds de jaren zestig in Vlaanderen aan gewerkt. In 2020 moet het project voltooid zijn. Vorige week verscheen deel elf dat over de mythologie in zijn werk gaat.

Peter Paul Rubens, De Drie Gratiën, (1630-1635, olieverf op paneel, 220,5×182 cm). De drie dochters van Zeus zijnAglaia (zij staat voor stralende schoonheid),Euphrosyne (vreugde) enThalia (bloei). Voor de linker Gratie stond Rubens’ echtgenote Hélène Forment vermoedelijk model. Welke Gratie zij en de andere twee verbeelden is onduidelijk. Foto Museo del Prado, Madrid

‘Kleding, of vooral het gebrek daaraan, vormt het terugkerende thema in dit deel van het Corpus Rubenianum”, zegt Rubensspecialist Elizabeth McGrath.

De Schotse was vorige week in Antwerpen om het elfde boekdeel voor te stellen van een reusachtig project dat in de jaren zestig werd gestart: een geïllustreerde oeuvrecatalogus in 29 delen van de naar schatting meer dan 2500 werken van barokschilder Peter Paul Rubens (1577-1640). De werken worden geduid door kunsthistorici en gegroepeerd aan de hand van thema’s zoals geschiedenis of, zoals in dit elfde deel, mythologie.

In het atelier van de schilder in het Antwerpse Rubenshuis vertelt de gepensioneerde McGrath, samensteller van dit deel, bescheiden dat het best moeilijk is onder woorden te brengen wat de mythologische schilderijen van Rubens zo anders maakt dan die van tijdgenoten. Van deze terughoudendheid is na vijf minuten niets meer te merken. Ze is naar haar persoonlijke favoriet, De Drie Gratiën, gebladerd in het bijna 1000 pagina’s tellende boek „Rubens is de meest geleerde kunstenaar die ooit heeft geleefd, dat zie je als hij een mythologisch onderwerp behandelt. Toen hij jonger was deed hij het misschien om zijn belezenheid te etaleren, later verwerkt hij zijn kennis op een terloopse, relaxte manier.”

Mythes

Talrijke zestiende- en zeventiende-eeuwse kunstenaars schilderden de olympische goden. Ze werden gebruikt als personificaties van deugden of natuurkrachten, of ze vormden een excuus om een erotisch tafereel te kunnen schilderen. Dat laatste speelde zeker ook bij Rubens een rol, zegt McGrath, maar je merkt dat hij de Griekse en Latijnse bronnen had gelezen.

De Drie Gratiën - de dochters van Zeus – zijn volgens haar een perfect voorbeeld. Op het werk dat Rubens rond 1638 voor zijn eigen privévertrekken maakte en nu in het Prado hangt, staan zoals in andere beeldengroepen over het thema drie voluptueuze vrouwen. „Maar bij Rubens lijkt het alsof de linker dame wordt uitgenodigd door de twee andere vrouwen om haar kleding uit te trekken en zich bij hen te voegen. Linksboven hangen haar gewaden in de bomen. In een gedicht van de Romeinse dichter Horatius wordt verteld over een Gratie die in de lente haar kleding durft af te nemen en zich bij haar zusters voegt, om te dansen. En kijk, op Rubens’ werk zijn de dames aan het dansen, ze staan alledrie met dezelfde voet op de grond. Dit soort verwijzingen hoef je natuurlijk niet te kennen om het een mooi schilderij te vinden.”

Er wordt wel uitgebreid op ingegaan in dit deel van het corpus, in twee volumes, waarin McGrath en andere Rubensspecialisten individuele schilderijen bespreken.

Het corpusproject startte in de jaren zestig nadat Antwerpen de persoonlijke notities van Ludwig Burchard (1886-1960) verkreeg, na diens overlijden. Deze Duitse Rubenskenner was al jaren bezig om een corpus in zes delen van Rubens’ oeuvre aan te leggen. Na zijn dood bleek al snel dat aanzienlijk meer delen nodig waren. McGrath: „Deskundigen over de hele wereld werken sindsdien mee, maar er was jarenlang geen budget en geen coördinatie, dus het werk verliep op z’n zachts gezegd nogal traag.”

In 2010 werd het Rubenianum Fund opgericht dat via fondsenwerving en private sponsors drie vaste medewerkers financiert. De eerste vrucht daarvan is dit lijvige boek. In 2020 moet het project rond zijn.

Rubens vs Rembrandt

Zijn de delen die decennia geleden werden geschreven niet verouderd? „Dat valt mee, maar ja, sommige zaken zijn vandaag een beetje achterhaald”, zegt McGrath. Online staan geüpdatete versies van de lemma’s die voor 2000 zijn geschreven.

Volgens McGrath moet het project zich nu eerst concentreren op de nieuwe delen. „We zien het corpus als een naslagwerk van waaruit andere studies kunnen vertrekken. We verwerken in de nieuwe delen de meest recente vondsten.”

De boeken zijn vooral bedoeld voor onderzoekers, musea en de kunstwereld. McGrath vindt het niet erg dat auteurs van individuele lemma’s het soms met elkaar oneens zijn.

Er werkten veel en uiteenlopende Rubensspecialisten mee, meer dan aan bijvoorbeeld het Rembrandt Research Project, waarmee het Antwerpse project vaak wordt vergeleken. McGrath: „Dat onderzoek was veel kleiner, werkte chronologisch en focuste ook meer op toeschrijving van.”

In welke mate een werk van de hand van Rubens zelf is of niet, speelt ook een rol in het Corpus Rubenianum, maar op een andere manier zegt McGrath. „De enorme output van Rubens is vele keren groter dan die van Rembrandt en het is vaak een dunne lijn tussen wat een echte Rubens is en wat niet.

„Als de meester een geslaagde compositie had gemaakt, liet hij deze vaak kopiëren door ateliermedewerkers. Soms paste hij daarna zelf details aan, soms niet. Kopers wisten perfect of ze een werk kochten dat honderd procent van de hand van de meester was, of bijvoorbeeld slechts tachtig procent, of volledig gemaakt was door een getalenteerde leerling.

„Kopers kochten wat ze zich konden veroorloven. Omdat het in die tijd belangrijk was in hoeverre een werk van Rubens’ eigen hand was, is het dat voor ons ook.”