Opeens was ik, die stoere jongen, een pennenlikker

Op reis in Zuid-Amerika weegt Maxim Februari orde en chaos tegen elkaar af. „Je moet niet alleen kiezen in welk systeem je leven wilt. Het is ook de vraag in welk systeem je dood wilt gaan.”

Een straatverkoper van pinda’s tussen het verkeer in Rio de Janeiro. Foto Reuters/Nacho

Tot voor kort beschouwde ik mezelf als een vrije jongen. Rauw, recht voor zijn raap en volstrekt ongevoelig voor gezag. Formulieren, bijvoorbeeld, scheur ik onveranderlijk door als ik ze tegen kom. En hoewel ik op die manier waarschijnlijk flink wat belastingvoordelen en spaarpunten heb gemist in de afgelopen jaren, zul je me daar nooit over horen klagen. Onverstoorbaar.

Maar nu was ik deze maand in de hoofdstad van een Zuid-Amerikaans land en daar zag ik midden op de snelweg een man staan met veger en blik. Dit was een vorm van onverstoorbaarheid die ik al lang niet meer was tegengekomen. Acht miljoen automobilisten suisden om hem heen. Ze schoten van links naar rechts in hun pogingen de kraters in het asfalt te omzeilen; de zwarte dieseldamp hing als een lage wolk boven het wegdek. En terwijl mijn taxichauffeur probeerde of hij kon remmen en gas geven tegelijkertijd, zodat hij op magische wijze met zijn voorligger kon versmelten, stond die man daar doodgemoedereerd papiertjes op een blik te vegen.

Er zijn van die momenten waarop je Nederlanderschap je lachwekkend voorkomt. Daar stond die man onaanraakbaar in de chaos en ik dacht: ‘Dat kan toch niet!’ Meteen wist ik dat ik diezelfde zeurderige gedachte al dagen had gehad. Zat er een gat in een putdeksel boven het riool – zo’n gigantisch gat dat er volgens een meereizende intellectueel ‘precies een peuter’ in paste’ – dan dacht ik het. ‘Dat mag toch niet!’ Hadden auto’s de uitlaat aan de voorkant, hoog boven de motorkap, de roet in de richting van de arme voetgangers bij het stoplicht spugend: ‘Dat kan toch niet!’

In de spiegel zag ik dus opeens niet meer de stoere volksjongen die ik dacht te zijn. Ik zag een pips en spichtig Annie M.G. Schmidt-personage. Een Nederlandse pennenlikker met een aktentas. ‘Dat mag niet, hoor! Dat kan niet! Dat geeft geen pas!’ En omdat iets aan dat beeld me niet beviel, probeerde ik Latijns-Amerikaanser te gaan denken. Ongetwijfeld zou iedereen in dit wilde land vroegtijdig sterven aan vergiftigingen en calamiteiten, dacht ik, maar dan hadden ze wel geleefd. Met hun uitlaatpijpen.

Ik was nog niet weer thuis of deze leuke Latijnse stemming zakte in. Zorgelijk dacht ik aan de arme bliksem die de rommel van de snelweg stond te vegen. Zou hij nog leven? Of was de omloopsnelheid van straatvegers zo groot dat al weer een ander op zijn plekje stond? In Nederland bleek iedereen net zo Nederlands als ik over leven en dood te denken. Iedere ambtenaar die ik tegen kwam, iedere programmamaker op de televisie, iedere arts en idealist boog zich over de formaliteiten. ‘Dat mag toch niet?’ hoorde ik op de televisie. ‘Dat kan toch niet?’ las ik in de krant.

Zo kwam ik er weer eens toe orde en chaos tegen elkaar af te wegen. Aan de ene kant de treurige wereld van de veiligheidssystemen, de zorgprotocollen, de overlegorganen en de verzekeringsconglomeraten. Aan de andere kant de verdrietige werkelijkheid van de armoede, de milieuvervuiling, de sociale ongelijkheid en de missende ledematen.

Wat had ik liever? Ik kon nu wel heroïsch naar verre landen gaan om middels lezingen de viering van het leven te bevorderen. Maar ik moest toch aan mezelf toegeven dat ik de helft van mijn honorarium had besteed aan een vaccinatie tegen hepatitis A.

Zo vochten in mij de wilde natuur en de ontwikkelde cultuur om voorrang. Ik hoefde er natuurlijk niet alleen de schaduwzijden van te zien. Aan de ene kant was er de vrolijke werkelijkheid van de levenslust en de ongebondenheid. Aan de andere kant de luxueuze wereld van de vangnetten en de opgeruimdheid. Maar toen ik verder nadacht over die straatveger op de snelweg, realiseerde ik me dat je niet alleen moet kiezen in welk systeem je leven wilt. Het is ook de vraag in welk systeem je dood wilt gaan.

Terwijl ik aan de andere kant van de wereld in doodsangst in een taxi zat, was in Nederland het denken over sterven doorgegaan. Eenmaal terug viel ik zo vanzelf weer in de debatten over de zelfgekozen dood. Daarin werd euthanasie naar voren geschoven als toppunt van autonomie, maar veel Nederlanders bleken hun ondraaglijk lijden toch extra aan te zetten om van de overheid toestemming te krijgen te sterven. En zodra ze, net als vertrekkende vliegtuigen, een timeslot kregen om op te stijgen, waagden ze het niet nog langer te wachten – uit angst de vergunning weer te verliezen.

Zo beschaafd zijn we dus geworden, concludeerde ik. Zo beschaafd dat we bij het overlijden angstig vragen: ‘Mag dat wel?’ Moet de staat niet worden verwittigd? Formulieren ingevuld? Toestemming gezocht? Je kunt natuurlijk, suste ik mezelf, te zijner tijd ook met stoffer en blik op straat gaan staan. En die keuze – daar kwam ik dus niet helemaal uit.