Musiceren voor de nazi’s

Met musiceren redde ‘Ghetto Swinger’ Coco Schumann in Auschwitz zijn leven. In zijn nu in het Engels vertaalde biografie blikt hij terug.

Coco Schumann in 1999. Hij zweeg na de oorlog lang over zijn huiveringwekkende verleden.

Heinz Jakob Schumann wilde dolgraag bij de Hitlerjugend. Op de Berlijnse lagere school, in de jaren dertig, werd hij net als alle andere leerlingen aangestoken door de optimistische opwinding die het nieuwe regime teweegbracht. Alles zou anders en beter worden. En hij was een avontuurlijke jongen die daar natuurlijk bij wilde horen. Maar toen hij in het klaslokaal naar voren liep, met vijf stuivers op zak om het benodigde HJ-insigne te kopen, werd hij ten overstaan van de hele klas tegengehouden door de onderwijzer. Nee, zei de man: joden mochten niet meedoen.

De jonge Schumann wist nauwelijks wat een jood was. Thuis vierden ze weliswaar de joodse feestdagen, maar ook de christelijke. De kerstboom stond naast de Chanoeka-kaarsen. Voor het nazibewind maakte dat echter geen verschil. Schumann ging niet naar de Hitlerjugend, maar eerst naar Theresienstadt en daarna naar Auschwitz. En hij overleefde beide gruweloorden door als drummer mee te spelen in kamporkestjes. Zoals bij een jazzband in Theresienstadt, die de Ghetto Swingers heette, en de geschiedenis inging door op te treden in een onder Duitse druk gemaakte, en dus leugenachtige filmdocumentaire over het kamp.

Coco Schumann – hij kreeg zijn dartele voornaam van een Frans vriendinnetje dat de H van Heinz niet kon uitspreken – heeft na de oorlog lang gezwegen over zijn huiveringwekkende verleden. Hij wenste zijn goede niet-joodse vrienden en collega’s geen schuldgevoel aan te praten. En hij deed ook zijn best geen aanstoot te geven, indachtig een vriend die ooit tegen hem zei: ‘Coco, ze zullen ons nooit vergeven voor wat ze ons hebben aangedaan.’

Hij wilde zo gauw mogelijk weer muzikant onder de muzikanten zijn en zette zijn carrière voort als gitarist in de Duitse amusementsindustrie. Tot hij steeds vaker werd aangesproken over de Theresienstadt-film waarin hij zo prominent te zien was. Allengs begon hij interviews te geven en mee te werken aan historische documentaires. En hij vertelde zijn levensverhaal aan Max Christian Graeff en Michaela Haas ten behoeve van hun boek Der Ghetto Swinger (1997), waarvan nu een Engelse vertaling is verschenen. ‘De kampen en de angst hebben mijn leven veranderd’, zegt hij in het voorwoord, ‘maar de muziek heeft me verder laten leven en alles weer goed gemaakt. [...] Ik ben een muzikant die in enkele concentratiekampen heeft gezeten, niet iemand in een concentratiekamp die ook een beetje muziek heeft gemaakt.’

The Ghetto Swinger vertelt dan ook volop over de Berlijnse jazzclubs waarin Schumann brutaalweg bleef doorspelen tot hij in maart 1943 werd gearresteerd – en over zijn naoorlogse loopbaan waarin hij naar eigen zeggen nooit de top bereikte, maar wel uitgroeide tot ‘een vakman’ die voor zijn gezin de kost wist te verdienen. Maar het is onvermijdelijk dat de hoofdstukken over de kampen de meeste indruk maken. Als die er niet waren geweest, zou dit boek niet bestaan.

Modelkamp

De Ghetto Swingers bestonden al toen Schumann in Theresienstadt werd geïnterneerd. Ze pasten perfect in de façade van het modelkamp waarmee de Duitsers het Rode Kruis een rad voor ogen draaiden. Zo’n orkest wekte de indruk dat alles pais en vree was. Ze speelden zelfs de muziek die buiten het kamp strikt verboden was: de hot jazz van Amerikaanse idolen als Count Basie en Duke Ellington. De strakgespannen Gershwin-klassieker I got rhythm was hun herkenningsmelodie.

Schumann had geluk, hoe wrang ook: het orkest was tijdelijk stilgelegd, omdat de drummer op de trein naar Auschwitz was gezet. Schumann, die tot dusver als gitarist had gewerkt, blufte dat hij drummer was. Het baantje bracht hem voordelen, zoals extra voedselrantsoenen en een kamertje – een onvoorstelbare luxe daar. En toen ze in de film moesten verschijnen, kregen de muzikanten zelfs nieuwe, witte overhemden.

Maar tenslotte gingen ook deze gevangenen de weg van hun eerdere drummer. Schumann arriveerde in oktober 1944 in Auschwitz. Ook daar vond hij contact met andere muzikanten die een kamporkest hadden gevormd. Ze stuurden hem naar een magazijn waar de bezittingen lagen opgetast van hen die al vermoord waren. Hij vond een Selmer-gitaar: ‘Ik had nog nooit op zo’n mooi instrument gespeeld. Ik dacht niet aan de vorige eigenaar – dat was de enige manier...’ In het sereen geschreven relaas blijft dit zinnetje onafgemaakt. Schumann bedoelde ongetwijfeld: de enige manier om te overleven.

Het orkestje had tot taak nazifeestjes op te vrolijken en te spelen bij de hoofdingang van het kamp. Voortdurend moesten ze het weemoedige La Paloma spelen – het favoriete nummer van de kampleiding. Ook na de oorlog speelde Coco Schumann het vaak. ‘ Soms dacht ik dan aan de mensen die naar hun dood werden gestuurd. Maar er waren ook momenten waarop ik niet aan hen dacht. Dan dacht ik aan de muziek. Ik had op zijn minst één goede reden om La Paloma nooit meer te spelen, maar ik had duizend redenen om het wél te spelen.’