Column

Mijn uitvaart

Dat leek een prettige mail, zó prettig dat ik hem iets te haastig las. Een lezeres, 75 jaar oud, liet me weten dat ze mijn columns vanaf de jaren negentig had uitgeknipt en bewaard. Ik stond al op het punt de mail met gepaste trots, maar toch zo bescheiden mogelijk, aan mijn vrouw voor te lezen, toen mijn oog viel op enkele minder flatterende zinnen.

„Ik ben aan het ruimen”, schreef mijn trouwe lezeres, „voordat ik ze met spijt, maar toch, in de container beneden gooi, wil ik U de (papieren) knipsels van uw column in de NRC aanbieden. Ik heb de meeste uitgeknipt, ze zijn op jaar gesorteerd. Natuurlijk kunt U ze gratis krijgen, ik zal ze met genoegen uitzoeken.”

Ze had ook knipsels van andere scribenten bewaard en probeerde die nu aan allerlei mensen en instanties over te doen. „Maar eerst Uw columns.”

Ik moest even diep ademhalen en liep toen naar de keuken om een sterk kopje koffie af te tappen. Deed het geluid van het apparaat me al eerder aan doodsgereutel denken?

„Nog leuke reacties gekregen?”, vroeg mijn vrouw me in het voorbijgaan. „Ging wel”, zei ik.

Terug achter mijn bureau las ik de mail nog eens goed door, een daad die te vergelijken was met de bekende, onbedwingbare tongbeweging naar de rottende kies. Ik besefte dat ik geruimd werd. En ook al gebeurde het samen met andere collega’s, het bleef een ingrijpende ervaring. De grond verdwijnt onder je voeten, je valt peilloos diep.

Ik zag mijn lezeres op de stoep voor die container staan, terwijl het straatverkeer aan haar voorbij raasde. Ze had een grote boodschappentas van Albert Heijn in de aanslag. Eén voor één diepte ze daaruit de mappen op waarin ze (‘op jaar gesorteerd’) mijn columns had verzameld.

Ze probeerde de mappen door de gleuf aan de bovenkant te persen, maar die was daarvoor te smal, zodat ze gedwongen werd de knipsels met de hand uit de mappen te halen en ze met vrij grof geweld door de strot van de container te duwen. Daar ging ik. In complete jaargangen kwam ik op de bodem van een vieze container terecht, tussen folders, pornoblaadjes en verpakkingsmateriaal.

Zo betrekkelijk was het allemaal, bepeinsde ik terwijl ik toekeek hoe de lezeres mijn uitvaart voltooide, met een zucht haar rug rechtte en voldaan huiswaarts keerde. Daar ging een vrouw – dat was misschien nog het ergste – die van mij gehouden had! Een vrouw die zich jarenlang elke dag even over mij heen had gebogen om mij diep in de ogen te kijken!

Maar het was over, ze had lang genoeg met mij en een aantal collega’s moeten leven – ze was ons zat, al dat gezeur, al die meninkjes en indrukjes, al die koketterie met ons Grote Gelijk. Weg ermee! Straks moest ze zelf ook weg en wie keek er dan nog naar háár om?

Was ik boos op haar? Welnee, daarvoor kon ik haar veel te goed begrijpen. Zelf ben ik ook al een leven lang een uitknipper van alles wat interessant lijkt. Mijn werkkamer puilt ervan uit. Overal mappen die te corpulent zijn geworden om ze goed te kunnen hanteren. Mappen die ooit enig nut hebben gehad, maar waarvan ik nu nauwelijks meer weet wat er inzit. Ze moeten eigenlijk weg, geruimd, maar ik kan me er niet goed toe zetten.

Misschien moet je 75 worden om zo’n radicaal besluit te kunnen nemen. Toch nog iets om naar te streven.