Gemeenten mogen niet korten op huishoudelijke hulp

Dat verklaarde de hoogste bestuursrechter in een drietal rechtszaken die waren aangespannen tegen de gemeente Utrecht en Aa en Hunze.

Foto Robin van Lonkhuijs/ ANP

Gemeenten mogen niet zonder duidelijke onderbouwing korten op huishoudelijke hulp die valt onder de nieuwe Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (WMO). Dat heeft de Centrale Raad van Beroep op woensdag verklaard in een drietal rechtszaken die waren aangespannen tegen de gemeenten Utrecht en Aa en Hunze.

Deze WMO 2015 schrijft gemeenten voor om hulpbehoevende inwoners “passende” steun te bieden om zo lang mogelijk thuis te wonen. Volgens gemeente Utrecht is deze ‘basisnorm’ 78 uur per jaar. De vergoeding liep daarmee terug van 5,5 naar 1,5 uur huishoudelijke hulp per week.

Het oordeel van de hoogste bestuursrechter is maatgevend voor alle gemeenten in Nederland, zo schreef nrc-redacteur Ingmar Vriesema in een achtergrondstuk over deze rechtszaak.

“Alle gemeenten, op zoek naar houvast, wachten nu het oordeel af van de Centrale Raad van Beroep: verplicht de WMO 2015 een gemeente nu wel of niet om huishoudelijke hulp te vergoeden? En zo ja, hoe bepaal je dan wat ‘passend’ is? Volstaat bijvoorbeeld zo’n basisnorm? Die vragen wil de raad beantwoorden met de bijzonderheden van de Utrechtste zaken als instrument.”

Utrechtse echtparen houden recht op 5,5 uur

Volgens de hoogste bestuursrechter berust deze 78 uur schoonmaak niet op “objectief en onafhankelijk onderzoek”. De gemeente Utrecht heeft volgens de Centrale Raad geen inzicht gegeven welke activiteiten er nodig zijn voor een schoon huishouden, hoeveel tijd dat kost en hoe vaak er schoongemaakt moet worden om te kunnen spreken van een schone en leefbare woning, of van schone en draagbare kleding.

Dit betekent dat de twee Utrechtse echtparen die de rechtszaak hadden aangespannen recht hebben op het aantal uren huishoudelijke hulp wat hoorde bij de oude regeling van de WMO. Dus 5,5 uur in plaats van 1,5 uur.

Advocaat Bernard de Leest, die een van de Utrechtse clienten bijstaat, reageerde verheugd op de uitspraak.

“Prachtige uitspraak. Onderzoek naar de situatie van mensen moet objectief zijn en onafhankelijk. Dit is een complete overwinning voor mijn cliënten, en voor veel andere burgers van Nederland.”

Ook Ieder(in), de koepelorganisatie voor gehandicapten en chronisch zieken, is blij met het oordeel.

“Goed nieuws. De uitspraak bevestigt dat gemeenten maatwerk moet leveren. Dat ze per burger moeten kijken wat voor huishoudelijke hulp zij nodig hebben.”

Volgens Manon Vanderkaa, directeur van de grootste seniorenorganisatie Unie KBO is het “goed nieuws voor veel ouderen die hierdoor langer zelfstandig thuis kunnen blijven wonen.”

Ook inwoner Aa en Hunze heeft recht op huishoudelijke hulp

Ook in de zaak die was aangespannen door een inwoner van Aa en Hunze werd de gemeente terechtgewezen door de Centrale Raad. Deze Drentse gemeente beëindigde na augustus 2015 de huishoudelijke hulp omdat dit onder de nieuwe wetgeving zou gelden als algemene voorziening. De inwoner had onder de oude WMO-regeling recht op hulp tot december 2017.

Volgens de hoogste bestuursrechter heeft de gemeente Aa en Hunze de algemene voorziening niet volgens de WMO 2015 vormgegeven, omdat de betrokken inwoner de huishoudelijke hulp geheel zelf moet betalen. Dat betekent dat de aanklager de oude zorg terugkrijgt tot december 2017. De gemeente mag deze zorg nog wel wijzigen of beëindigen, zover dat past binnen de nieuwe regelgeving.

De uitspraak is een eindoordeel. Er kan geen hoger beroep worden ingesteld.