Column

De veehandelaar smeert nu broodjes

Op zijn zestiende was John Fontaine slager, op zijn tweeëntwintigste werd hij veehandelaar. ’s Morgens om vier uur op en dan met de vrachtwagen vol vleesvee naar de veemarkt. Leiden, Doetinchem, Utrecht, Den Bosch, Zwolle. Zijn vader mestte dikbilkoeien vet op de boerderij in Tull en ’t Waal, aan de Lek.

We hebben het over 1980, 1990, op veegebied een eeuwigheid geleden. Particuliere mesters verdwenen, veemarkten verdwenen, veehandelaars verdwenen. In 1995 hoorde John Fontaine van een klant van zijn vader dat er in Amsterdam een broodjeszaak ter overname werd aangeboden, ’t Kuyltje in de Gasthuismolensteeg, achter het Paleis op de Dam. Sindsdien rijdt hij elke ochtend om vijf uur met zijn wagen vol zelf bereide vleeswaren van Tull en ’t Waal naar de grote stad. Om kwart over zes zet hij zijn oven aan en om zeven uur verwelkomt hij zijn eerste klant.

„Petertje!”

„Sjonnie!”

Versgebakken pistoletje met warme worst. Versgeperst sinaasappelsap. Koffie uit de kan. Peter zat drieëndertig jaar in de expeditie bij De Telegraaf toen hij boventallig werd verklaard en nu doet hij hetzelfde werk als zzp’er. Hij staat ’s nachts om één uur op.

Granieten vloer, marmeren toonbank, witte tegels tegen de wand. De wc, in de kelder, is defect. Het pand is Fontaines eigendom. Maar goed ook, zegt hij. De huren in de binnenstad zijn al jaren niet meer te betalen. De eierboer, in een groene stofjas, komt eieren leveren en bestelt een broodje pekelvlees. Hij komt uit Leiden en staat ’s morgens om kwart over drie op. „Maar soms om half vier, hoor”, zegt hij. De advocaat van de Keizersgracht, die altijd bij ’t Kuyltje ontbijt, komt binnen en vraagt waar de glazenwassers zijn. „Die zijn er vandaag niet”, zegt John Fontaine. Hij heeft het nog niet gezegd of er komt er een binnen, rechterduim in het gips. „Een boze Ajaxsupporter”, zegt hij. „Hij sloeg me zo tegen de grond.”

„Had je wat gedaan dan?”, vraagt de advocaat.

„Niks”, zegt de glazenwasser. „Ajax had verloren.”

„Vreselijk verhaal”, zegt de advocaat.

„Zeg dat”, zegt de glazenwasser. „Ik kan zes weken niet werken.”

„Gelukkig wel ontbijten”, zegt John Fontaine.

„Heb je haar” – de advocaat wijst naar mij – „verteld over die grap toen je twintig jaar bestond?” De vaste klanten hadden een plakkaat op de lege winkel aan de overkant gehangen. NIEUWE BROODJESZAAK. Écht verse vleeswaren, geen ballen, maar huisgemaakte kroketten, luxe toiletten, gratis wifi. Fontaine had het geen seconde geloofd.