De taal is steeds de vonk in het kruitvat

Rob Zuidam Nieuwe kameropera van Zuidam handelt over een vrouw die haar spraakvermogen kwijt is

Openbare repetitie van ‘Uwe leipe mastdramnis’, de nieuwe opera van Rob Zuidam, met voor het toneel regisseur Jeroen de Man. Donderdag is de première in het Muziekgebouw aan het IJ. Foto Tammy van Nerum

Voor componist Rob Zuidam begint muziek, en zeker muziektheater, bijna altijd met tekst. Of het nu om de liedcyclus Canciones del alma gaat (poëzie van Juan de la Cruz) of de opera Suster Bertken (geschriften van een non die zich liet inmetselen), het was de taal die de vonk in het kruitvat van Zuidams verbeelding sloeg. Des te opvallender dat zijn nieuwe kameropera, Uwe leipe mastdramnis, handelt over een vrouw die de macht over de taal juist verloren heeft.

Voorafgaand aan het componeren leest hij zich nog steeds een slag in de rondte, vertelt Zuidam (1964) aan de telefoon vanuit zijn woonplaats in België. Maar hij is gefascineerd geraakt door de klank van taal an sich. De merkwaardige titel – een anagram van ‘Nieuw Amsterdams Peil’, het ensemble waarvoor Zuidam het stuk schreef – tekent het idioom van het libretto. „Nu en dan komt er begrijpelijke taal aan de oppervlakte, zoals een fragment uit De feesten van angst en pijn van Paul van Ostaijen, maar het is vooral veel wartaal, waar je allerlei betekenissen in kunt horen.”

Dat de titel bij mij subiet de variant ‘Lijpe nieuwe Zuidam’ oproept vindt hij geestig: „Associëren staat vrij.”

In Zuidams opera’s zit een opvallende constante: vrijwel allemaal gaan ze over bijzondere vrouwen die een grens opzoeken. Uwe leipe mastdramnis vormt wat dat betreft geen uitzondering. Mezzo Gerrie de Vries („zij kan geweldig spelen met klank”) vertolkt een verwarde vrouw die de hele voorstelling rondscharrelt tussen oude troep en herinneringen – in de regie van Jeroen de Man ziet dat eruit als „een gestileerde uitdragerij”. Ze maakt zich op, eet een laatste maaltijd. En aan het einde gaat ze dood. „Je krijgt een beeld van wie die vrouw is, zonder dat daar expliciet over wordt gedaan,” zegt Zuidam.

Hij licht het concept toe aan de hand van een anekdote: „In de tijd dat ik aan de Nieuwmarkt in Amsterdam woonde zag ik vanuit mijn raam vaak een dakloze vrouw eindeloos op en neer lopen, met vijf of zes plasticzakken die voortdurend van hand verwisselden. Het was een heel ritueel dat zich daar voltrok. Ik had geen idee wat het betekende, maar het leek alsof de handelingen voor die persoon zelf zinvol waren, dat er iets achter zat. Dat is ook de kern van dit stuk. Het heeft een ritueel karakter, al is het bij vlagen heel heftig. Het is toegankelijk, maar je krijgt de betekenis niet steeds op een presenteerblaadje aangereikt.”

Na Suster Bertken en Troparion (over een kluizenares die in de woestijn een dode tak tot leven wekt met haar tranen) kiest Zuidam dus wederom voor een statisch onderwerp met ogenschijnlijk weinig dramatisch potentieel. Maar hij heeft bewezen juist daaruit buitengewoon intens en aangrijpend muziektheater te kunnen smeden. „Ik ben verzot op Verdi”, zegt hij zelf. „Maar wat mij in muziektheater interesseert is de fixatie op één ding. Een zekere hang naar uitvergroting is mij niet vreemd. En door de kracht van de muziek probeer ik dan de verveling buiten de deur te houden.”