Cannes valt voor tango van vader en dochter

Terroristen zijn nauwelijks te zien, maar de financiële crisis werkt door in de uitverkoren films op het festival.

Pa mag zich ook graag verkleden als een traditioneel Bulgraars ‘kukeri’-monster inToni Erdmann.

De wereld staat echt op zijn kop als een drie uur durende Duitse komedie de grootste kanshebber voor een Gouden Palm is. Maar zo staat het ervoor nu het 69ste filmfestival van Cannes over de helft is: Toni Erdmann van regisseur Maren Ade – met een bijrol voor Hadewych Minis – heeft ieders hart gestolen. Met 3,8 van 4 punten heeft hij de hoogste score ooit in het recensentenpanel van vakblad Screen International, dat iedereen hier in Cannes leest.

Het is lastig uit te leggen wat Toni Erdmann zo subtiel, origineel, wijs, grappig en ontroerend maakt. Winfried, een gepensioneerde Duitse muziekleraar, zoekt na de dood van zijn oude hond contact met zijn weggedreven dochter Ines. Hij is een wat melige grappenmaker, zij een gedreven, geharnaste en licht verzuurde consultant voor de olieindustrie in Boekarest, halverwege de dertig.

Vader overvalt zijn dochter in Boekarest, maar na een catastrofaal weekeind – hun zwijgzame afscheid in de lift is hartverscheurend – denk Ines van pa af te zijn. Mis: met mottige pruik en nepgebit duikt hij onverwachts op in de cocktailbar waar ze met haar vriendinnen zijn vertrek viert. Hij stelt zich voor als Toni Erdmann, levenscoach van haar baas. Ines speel mee, bluft, overtroeft, neemt Toni op sleeptouw, en blijkt gaandeweg een dochter van haar vader.

Regisseuse Ade, debutant in Cannes, oogde maandag na de première verbaasd. Ja, ze wist dat haar film goed was, maar zo goed? Toni Erdmann bevat veel autobiografie: haar eigen vader is een moppentapper, heeft een hond, kreeg ooit een setje valse tanden cadeau van Ade, die hij op ongepaste momenten in zijn mond steekt.

Toni Erdmann had zomaar een gemakzuchtige film van anderhalf uur kunnen zijn over een Zorba de Griek-vader die zijn vastgedraaide dochter weer joie de vivre bezorgt. Maar zo gemakkelijk komt pa Winfried/Tony er niet vanaf: hij leert iets over de echte wereld. Deze tango van vader en dochter raakt aan van alles: babyboomers versus hun zakelijke nageslacht, de Duitse dominantie van Oost-Europa, managementscultuur en de eenzaamheid van vrouwen aan de top: one of the boys worden ze nooit.

Nu wint een komedie als Toni Erdmann nimmer een Gouden Palm in Cannes, maar in 2016 is van alles mogelijk. De hoofdcompetitie van Cannes is luchtiger dan ooit, met een sterke hang naar genrefilms. Zo is er een chique Franse Bouquetreeksfilm, Mal de Pierres. Horror: Personal Shopper, Neon Demon. Erotische thrillers: later deze week Elle van Paul Verhoeven, eerder al het decadente, glad gepolijste The Handmaiden van Zuid-Koreaan Park Chan-Wook (Oldboy), waarin een dienstmeid een rijke erfgename wil bestelen, maar de damesliefde zegeviert in stomende scènes die La vie d’ Adèle naar de kroon steken.

Die hang naar escapisme lijkt een bewuste keuze in dreigende tijden: Cannes is in hoge mate een verlengstuk van het Franse establishment. Heel anders dan het filmfestival Berlijn houdt het politiek resoluut buiten de deur. Niks over de vluchtelingencrisis, niks over terrorisme. Integendeel: Cannes weerde Nocturama, een film over islamitische terreur van Bertrand Bonello, die in eerdere edities wel meedeed met languissante films over 19de eeuwse bordelen en modekoning Yves Saint Laurent. De enige terrorist in de filmcompetitie is een orthodoxe Russische fundamentalist in Uchenik (‘The Disciple’). Maar die film over een fanatieke scholier die in zijn loopgravenstrijd met een liberale docente de sterke staat aan zijn kant weet, zegt vooral iets over Poetins Rusland.

Niet dat Cannes helemaal irrelevant is: een rode draad in de competities is dit jaar de uitzichtloosheid, kaalslag en dreigende opstand der massa’s na acht jaar kredietcrisis. Soms heel direct, zoals in Ken Loach bozige pamfletfilm I, Daniel Blake, waar een eerlijk man door de bureaucratie wordt vermalen. Maar meestal als subtekst: in actiethriller Money Monster, het puike bankroversdrama Hell or High Water of in de Franse edelklucht Ma Loute van de ooit zo serieuze Bruno Dumont. In de film krijgen een verwaten bourgeoisgezin en klungelende politiemannen in het begin van de twintigste eeuw te maken met een rebelse onderklasse in de vorm van mosselplukkende kannibalen.

Relevant, maar ook wat stuurloos, is American Honey van de Britse regisseur Andrea Arnold, een feestrit van bijna drie uur door het Midden-Westen van de VS met veel vuilnisesthetiek à la Harmony Korine. Het 18-jarige dreadlockmeisje Star sluit zich aan bij een groep benevelde, zwendelende tijdschriftenverkopers.

Arnold reisde maanden door Amerika’s hartland, was naar eigen zeggen geschokt door de verloedering, plukte haar acteurs van straten en stranden en eindigde met dit structuurarme, hoopvolle portret van kids die hun eigen feestje bouwen tussen de puinhopen. American Honey is een even rommelige als tijdige film waar je op hoopt en je aan ergert tegelijk. Zo hoort dat in Cannes.