Bruine laarzen hoeven ze in Duitsland niet

Laarzenfabriek Dunlop Dunlop Protective Footwear neemt Onguard in de VS over. Daarmee wordt de mini-multinational uit Raalte wereldmarktleider in veiligheidslaarzen.

In de fabriek in Raalte maakt Dunlop elke week 24.000 paar laarzen. Foto’s Gino Kleisen

John van der Vegt legt een stalen neus over een aluminium voet. De robot voor hem spuit in een vast ritme een rubberachtige substantie over veertien aluminium onderbenen – afwisselend zeven keer links en rechts, maar stalen neuzen leggen kan hij niet.

Van der Vegt is technisch operator, en met bijna 31 dienstjaren een veteraan in de fabriek van het Nederlandse Dunlop Protective Footwear in Raalte. Het werk verveelt hem nog geen dag, zegt hij. „Vandaag sta ik aan de machine, morgen stuur ik de boel van boven aan.”

Aan de andere zijde van de fabriekshal staat het eindproduct op tientallen karren. Rijen gele, groene en witte laarzen. De laarzen staan met twintig per schap en vier schappen per kar te wachten op afwerking en verzending. De kleur zegt iets over de bestemming. Slachterijen in de Verenigde Staten willen geel, Nederlandse boeren zijn gewend op groene laarzen te lopen. Franse bouwvakkers lopen op bruine laarzen, terwijl in Duitsland juist niemand bruin draagt, met het oog op het oorlogsverleden.

Per week worden bij Dunlop in Raalte 24.000 paar laarzen gemaakt. Het bedrijf heeft ook een fabriek in Portugal, waardoor het totaal uitkomt op 114.000 paar per week. Niet niks, maar toch bescheiden voor een bedrijf dat zich Europees marktleider noemt. Dunlop maakt veiligheidslaarzen die niet voor het grote publiek zijn bedoeld; ze kosten tot 300 euro. De afnemers werken in de landbouw, voedselverwerking, constructie en mijnbouw in vooral West-Europa en Canada. Het materiaal waarvan de laarzen gemaakt zijn verschilt: de laars die warmte biedt in een koude mijn, verteert razendsnel als -ie in aanraking komt met mest op een akker. Dunlop maakt ook laarzen voor de consumentenmarkt, maar dat is minder dan 10 procent van de jaaromzet van 70 miljoen euro.

Luchtbellen naar de ‘flesh’

Dunlop Protective Footwear kocht begin deze maand Onguard uit de Verenigde Staten voor „enkele tientallen miljoenen euro’s”, volgens Dunlop-bestuursvoorzitter Allard Bijlsma. Door die overname is de mini-multinational met een winst van 10,7 miljoen in 2014 naar eigen zeggen wereldmarktleider in veiligheidslaarzen. De omzet van de twee bedrijven samen is rond de 100 miljoen euro en ze hebben gezamenlijk vijfhonderd mensen in dienst. Ter vergelijking: de globale markt voor ‘persoonlijke beschermingsmiddelen’ is rond 30 miljard euro groot.

Hoe doet een bedrijf van bescheiden grootte een trans-Atlantische overname? Bestuursvoorzitter Bijlsma kwam jaren geleden op een bijeenkomst voor producenten van persoonlijke beschermingsmiddelen in contact met veiligheidslaarzenmaker Onguard. Hij hield dat contact warm. Onguard was de afgelopen jaren buitenbeentje bij het Australische moederbedrijf Ansell, wereldleider in veiligheidshandschoenen en -kleding. Daar viel iets te halen, zegt Bijlsma. Zijn vasthoudendheid leverde eind vorig jaar een telefoontje op. „Ansell was tot de conclusie was gekomen dat het bedrijf toch niet bij hen paste.”

Productiemanager Henk Wijnberg houdt een laars naar het licht. De laars lijkt af, op een flap na die aan de voorkant hangt. Hij is vervaardigd van purofort, een door Dunlop ontwikkeld materiaal waarmee alleen Dunlop laarzen maakt. Purofort bestaat uit polyol, isocyanaat en een aantal stoffen die het bedrijf geheim houdt.

Een robot spuit het mengsel om een aluminium leest, waarna het in een etmaal verhardt. „De kunst is om de luchtbellen naar de flesh te drukken, de flap aan de voorkant”, zegt Wijnberg. Inderdaad worden in het licht luchtbelletjes zichtbaar in de flap. Hoe ze dat doen? Wijnberg: „Door de stroming van het mengsel te beïnvloeden.” Hoe precies kan Wijnberg niet goed uitleggen, maar „als het een simpel proces was, had de fabriek niet meer in Raalte gestaan”.

De purofort, het ingewikkelde proces met de luchtbellen, is volgens Bijlsma de oorzaak dat Dunlop in de afgelopen vijf jaar met 50 procent is gegroeid. Het werkt „als een duikpak, isolerend en soepel”, zegt hij. Sinds zijn aantreden in 2011 is de prijs van een laars verhoogd. „Vroeger werkten we met een kostprijs en een marge”, zegt hij, „nu kijken we naar het potentieel. Onze prijs is 20 procent hoger dan die van de concurrentie, omdat het product beter is.”

In Portugal maakt Dunlop nog wel laarzen van pvc. Ook Onguard in de Verenigde Staten werkt met het plastic materiaal, maar moet op termijn net als de fabriek in Raalte laarzen van purofort gaan maken. Daar is kennis en ervaring voor nodig en bovendien gelden in de Verenigde Staten andere normen voor bijvoorbeeld maatvoering en de wijdte van de laars. „Gewoon de machine inpluggen gaat niet”, in de woorden van productiemanager Wijnberg. Dunlop gaat dat oplossen door een geleidelijke overgang, zegt Bijlsma. „Wat mij vertrouwen geeft is dat het bedrijf al vijfenzeventig jaar bestaat en de regels van de markt daar kent.”